Antoine Bodar

De Kerk is geen instituut van moraal maar de gemeenschap van Christus.

header-05.jpg
 

Zeven kruiswoorden

1 March 2016 |    |  Preken

Antoine Bodar  (Veertigdagentijd 2015 & 2016)

ZEVEN KRUISWOORDEN

I

Pater, dimitte illis; quia nesciunt quid faciunt.

‘Vader, vergeef hun; want ze weten niet wat ze doen.’ (Lc 23,34)

‘Toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en zo ook de misdadigers – de een rechts, de ander links. En Jesus zeide: “Vader, vergeef hun; want ze weten niet wat ze doen.”’ (Lc 23,33-34)

Jesus, tot de misdadigers gerekend, vergeeft hen die Hem kruisigen omdat ze onwetend zijn.

Is onwetendheid mate van verontschuldiging? Hadden de kruisigers niet wèl moeten weten? Of hadden de opdrachtgevers niet wìllen weten van Jesus’ onschuld?

Het past veelal eenvoudigweg niet te weten; want niet weten ontslaat van verantwoordelijkheid, maar beduidt dan niettemin nalatigheid.

Jesus’ vergeving om hun onwetendheid is uiting van barmhartigheid. Hij verontschuldigt de kruisigers bij God Die Hij Zijn Vader noemt.

In die intimiteit van Zoon tot Vader vraagt Hij vergiffenis in hun plaats – namens hen.

Stephanus, Zijn eerste volgeling in het martelaarschap, zou Hem in deze bede volgen, wanneer hij – in schranderheid sprekend – om Zijn getuigenis wordt gestenigd. Eerst bidt Stephanus (Hnd 7,59-60): ‘Heer Jesus, ontvang mijn geest.’ En voorts stervend: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan.’

Vergeven is een eerste roeping van elke mens.

‘Als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem vergeven – tot zeven maal toe?’ Vraag van Petrus (Mt 18,21-22) aan Jesus. ‘Neen, zeg ik u, niet tot zeven maal toe, maar tot zeventig maal zeven maal.’

Vergeving is blijk van barmhartigheid (Mt 5,7): ‘Zalig de barmhartigen; want zij zullen barmhartigheid ondervinden.’

God Zelf vergeeft altijd. Barmhartigheid is aan Hem evenzeer eigen als niet eigen aan de mens. Nochtans is dat zijn roeping.

Onderlinge vergeving bevordert daarenboven het vreedzaam met elkaar samen leven.

II

Hodie Mecum eris in paradiso.

‘Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.’ (Lc 23,43)

‘Ook een van de misdadigers die daar hingen, hoonde Hem: “Zijt Gij niet de Messias? Red dan U Zelf en ons.” Maar de ander strafte hem af en zei: “Heb zelfs jij geen vrees voor God, terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat? En wij terecht; want wij krijgen wat we door onze daden verdiend hebben. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.” Daarop zei hij: “Jesus, denk aan mij, wanneer Gij in Uw Koninkrijk gekomen zijt.” En Jesus sprak tot hem: “Voorwaar, Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.”’ (Lc 23,39-43)

De ene lotgenoot aan het kruis verliest zich in bitterheid en bespot Jesus Die hem vreemd blijft en jegens Wie hij vijandschap gevoelt. Een gebaar van wanhoop. De dood wacht  hem in ontgoocheling.

Aan de andere lotgenoot overkomt inzicht. Hij ziet het onderscheid tussen hun beider veroordeling en die van Jesus. Daarom berispt hij de andere misdadiger. Hij erkent het echte koningschap van Jesus Die door de dood heen Zijn koninkrijk zal binnengaan en – nog niet opgewekt uit de dood – wel al met Zijn Vader wordt verenigd.

De voltooiing van Gods wil voert Jesus terstond naar het paradijs.

Inzicht brengt de zich veranderende misdadiger bekering. Berouw krijgt hij over het door hem misdane en hij heeft zich wellicht woorden van de psalmist herinnerd (51,19): ‘Een berouwvol en nederig hart zult Gij, God, niet als te gering zien.’

In deemoed wendt hij zich tot Jesus en in de bede jegens Gods Zoon aan hem te blijven denken, wordt hem in barmhartigheid vergeving geschonken. En dat meteen, nog op dezelfde dag.

Dat is de overvloed van Gods genade.

Hoe is het de niet bekeerde misdadiger vergaan? We weten het niet. Het is een zaak alleen tussen hem en God.

III

Mulier, ecce filius tuus.

‘Vrouw, zie daar Uw zoon.’ (Jo 19,26)

‘Toen Jesus Zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij beminde, zei Hij tot Zijn moeder: “Vrouw, zie daar uw zoon.” Vervolgens zei Hij tot de leerling: “Zie daar uw moeder.” En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.’ (Jo 19,26-27)

Jesus, Zelf uitgestoten – de verworpen steen die de hoeksteen zou worden (cf. Ps 118,22) – sticht vanaf het kruis gemeenschap, waarvan niemand wordt uitgesloten. Hij sticht de Christus-gemeenschap. Zo wordt de Kerk geboren. Wanneer Hij gestorven is, zal de honderdman Zijn zijde doorsteken en daaruit zullen terstond water en bloed vloeien (cf. Jo 19,34) – water van het Doopsel, bloed van de Eucharistie.

De leerling neemt de moeder op in zijn eigen leefkring en zij neemt zorg op zich voor hem. Een onderlinge omgang van geborgenheid in tederheid.

Dit onderling verkeren evenwel kent nog een andere kant die verder reikt:

Maria spreekt Jesus aan met ‘vrouw’. Zo verwijst Hij naar de eerste vrouw Eva en daarmee naar de eerste mens Adam. Hij Zelf is de nieuwe mens, de nieuwe Adam. Maria is de nieuwe Eva. Zo is zij persoon maar in enen teken.

Zoals God met het uitverkoren volk van de Joden  omging als een man met zijn vrouw en daarom het aansprak als vrouwe Jerusalem, vrouwe Israel, zo vertegenwoordigt Maria onder het kruis het gehele nieuwe volk dat aan het oude volk nu wordt toegevoegd.

En Joannes? Hij staat daar namens de leerlingen en hun opvolgers. Hij neemt het volk Gods onder zijn hoede, verklaart het de Schriften, deelt het de sacramenten toe, leidt het als herder.

Maria is de moeder van Gods Zoon.

Zij is de moeder geworden van alle mensen en vertegnwoordigt hen allen.

Zij is de moeder van de Kerk en zij staat onder het kruis zelf als beeld, als model van de Kerk, de Christus-gemeenschap.

IV

Deus meus, Deus meus, ut quid derelequisti me.

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.’ (Mc 15,34 & Mt 27,46)

‘Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land – tot aan het negende uur toe. En op het negende uur riep Jesus met luider stem: “Eloï, eloï, lama sabaktani?” Dit is vertaald: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”’ (Mc 15,33-34)

Jesus bidt de opening van Psalm 22 in vereenzelviging met allen die uitgeleverd zijn aan niet te dragen lijden. Hij klaagt over de ogenschijnlijke verlatenheid door God (Ps 22,2) en vervolgt (Ps 22,3.8): ‘Bij dag roep ik, mijn God – Gij blijft zwijgen, bij nacht – en ik word niet gestild. […]

Die mij zien treffen mij met hun hoon, grijnzen smadelijk, schudden het hoofd.’

Na de klacht over de overkomen ellende verkeert de Klaagpsalm in de smeking om hulp (Ps 22,20.23):

‘Gij, Heer , houd U dan niet ver; Gij mijn kracht, kom mij ijlings te hulp. […]

Dat mijn broeders Uw naam ik mag melden, Uw lof zingen te midden van de schare.’

Ten slotte keert in een Psalm als deze terug de overgave in vertrouwen.

De klacht voltooit zich in aanvaarding. De uitroep houdt reeds Gods geborgenheid in.

In woorden van de Psalmist bidt Jesus persoonlijk en weet Zich met mensen mens ondanks Zijn godheid. Hij bidt in naam van anderen, blijkt betrokken op allen, voor wie Hij verantwoordelijkheid neemt, voor wie Hij verzoening met God tot stand zal brengen. Zijn klacht is gezamenlijke klacht.

Als hoofd van het lichaam dat de Kerk is weet Hij Zich reeds met haar een.

Hij voelt zich in wat verlatenheid beduidt die Hij als mens beleeft.

Zelfs de verlatenheid van God.

Dat is de uiterste uitlevering, de volledige ontlediging om de mensheid met God te verzoenen (Ps 22,3):

‘Bij dag roep ik, mijn God – Gij blijft zwijgen, bij nacht – en ik word niet gestild.’

V

‘Ik heb dorst.’ (Jo 19,28)

‘Hierna [nadat Jesus tot Zijn moeder en Joannes had gesproken], wetend dat nu alles was volbracht, zei Jesus , opdat de Schrift vervuld zou worden:

“Ik heb dorst.”

Er stond daar een kruik vol zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan Zijn mond.’ (Jo 19,28-29)

‘Een stuk potscherf – zo droog is mijn keel. En mijn tong voelt gekleefd in mijn mond.’

De vervulling van de Schrift door de Psalm (22,16).

En wat de zure wijn aangaat, een andere Psalm (69,21-22):

‘Op meeleven hoopte ik – niets. Op troost – die ik niet heb gevonden. Zo mengden zij gif in mijn spijs, gaven mij azijn toen ik verdorstte.’

Dorstig vraagt Jesus nu om te drinken, terwijl Hij gewoonlijk alleen te drinken geeft:

‘Wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer.’ (Jo 4,14)

‘Wie dorst heeft, Hij kome tot Mij. Wie in Mij gelooft, Hij drinke.’ (Jo 7,37-38)

Dat is het levende water van het geloof dat Jesus ten geschenke geeft. Water als teken:

‘God, mijn God, naar U blijf ik zoeken, mijn ziel dorst van verlangen naar U. Al wat ik ben smacht naar U in een troosteloos land zonder water.’ (Ps 63,1-2)

Wat te denken over water tastbaar en nat?

Wie als mijn leerling een beker koud water aan een kind geeft, hem zal zijn loon niet ontgaan, zegt Jesus (cf. Mt 10,42) Zulks is eerste daad van naastenliefde. Zonder water of ten minste zonder vocht is leven niet mogelijk.

De behoefte daaraan geeft Jesus te kennen alleen volgens Joannes.

Volgens andere evangelisten (cf. Mt 27,34 & Mc 15,23) weigert Hij zelfs te drinken om zo de lijdensbeker tot de bodem te ledigen.

VI

Consummatum est.

‘Het is volbracht.’ (Jo 19,30)

‘Toen Jesus van de zure wijn genomen had, zei Hij: “Het is volbracht.” Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest.’ (Jo 19,30)

Jesus heeft op aarde het werk volbracht dat de Vader Hem had opgedragen (cf. Jo 17,4). De verlossing van de mensen door Zijn lijden en dood is voltooid.

Jesus’ laatste woord volgens Joannes is geen klacht of overgave. Het is een vaststelling in nuchterheid: De taak is klaar.

Zijn uur had Hij aangekondigd (cf. Jo 2,4) en dat uur was gekomen (cf. Jo 13,1). Thans is dat uur voorbij. Daarom sterft Jesus nu. Hij buigt het hoofd en blaast de laatste adem uit.

In liefde had Jesus Zijn leven gegeven. Zijn overlevering en lijden en sterven was eens te meer ‘een bewijs van Zijn liefde tot het uiterste toe’ (Jo 13,1) geweest.

In afwijking van de andere evangelisten benadrukt Joannes dat immer de eerste stap door Jesus wordt gezet als de Zoon van God Die weet wat zal gebeuren in Zijn leven op aarde.

Ook Pilatus heeft Hij daaraan herinnerd, toen die Hem voorhield macht te hebben tot Zijn kruisiging (Jo 19,11): ‘Ge zoudt volstrekt geen macht over Mij hebben, als u die niet van boven was gegeven.’

Jesus sterft aan het kruis, niet als martelwerktuig maar als triomfteken. Hij staat als de eeuwige Koning aan het kruis en bepaalt het einde van het ene tijdperk en het begin van het andere tijdperk.

Hij stoot de vergrendelde hemelpoort open (Heb 5,8-9):

‘Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden  gehoorzaamheid geleerd. Toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwig heil.’

Zijn toen betoonde liefde is de uitnodiging aan elke mens Hem nu en steeds in Zijn liefde te volgen.

VII

In manus Tuas, Domine, commendo spiritum meum.

‘Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.’ (Lc 23,46)

‘Het was nu omtrent het zesde uur. Duisternis viel over heel de streek tot aan het negende uur toe, doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhangsel van de tempel scheurde midden door. Toen riep Jesus met luider stem: “ Vader, ‘in Uw handen beveel Ik Mijn geest.’” Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest.’ (Lc 23,44-46)

‘Vader, vergeef hun; want ze weten niet wat ze doen.’ (Lc 23,34) Zoals bij het eerste woord aan het kruis, zo spreekt Jesus bij het zevende en laatste woord God aan als Vader – uiting van diepe verwantschap tussen Beiden in de Heilige Geest.

Jesus spreekt met het woord van Psalm 31,5-6: ‘Mijn sterkte zijt Gij. In Uw handen beveel Ik Mijn geest. Gij, Heer, Die Mijn losser wilt zijn. Gij, Die een God zijt van waarheid.’

De Zoon geeft Zich over in de handen van de Vader. ‘Onze Vader, Die in de hemel woont, Uw naam worde geheiligd, Uw rijk kome, Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.’ Zo had Jesus anderen leren bidden (Mt 6,9-10).

Hij is de wil van de Vader gebleken. ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede’, had Jesus nog eens – in doodsangst – gebeden (Lc 22,42): In het uit handen geven van de eigen wil volbrengt Hij Gods wil. In vertrouwen en overgave – wel wetend dat God Hem heeft verheerlijkt en Hem wederom zal verheerlijken (cf. Jo 12,28).

‘De aarde beefde en de rotsen spleten. De graven gingen open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren stonden open.’ (Mt 27,52)

Het voorhangsel van de tempel is op het uur van Jesus’ dood van boven tot onder in tweeën gescheurd (cf. Mt 27,52).

De offerlammeren voor de tempel zijn overbodig geworden door het ene offer van het Lam Gods. De gestorven en opgestane Heer Zelf is de tempel geworden – ‘afgebroken en na drie dagen weer opgebouwd’ (cf. Jo 2,19).

Door Zijn gehoorzaamheid in zuiverheid heeft Christus de mensheid bij God de Vader teruggebracht.