Antoine Bodar

Zingen zuivert de ziel.

header-05.jpg
 

Het schriftwoord vervuld

27 January 2016 |  Amsterdam, Begijnhofkerk en 's-Hertogenbosch, Sint Jan  |  Preken

Jesus is door Joannes gedoopt. Hij is door de Geest naar de woestijn gevoerd waar Hij veertig dagen door de Duivel is beproefd en hij keert in de kracht van de Geest terug naar Galilea waar Hij in de synagogen optreedt als leraar (cf. Lc 3,21-22;4,1-15).

Zo komt Jesus naar Nazareth waar Hij is opgegroeid en staat Hij op de sabbatdag in de synagoge op om te lezen. Hij opent de boekrol van de profeet Jesaja en zoekt de plaats waar geschreven staat (cf. Js 61,1-2):

‘De Geest des Heren rust op Mij; want Hij heeft Mij gezalfd.  Om aan armen de Blijde Boodschap te brengen. Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen verlossing, aan blinden genezing  te verkondigen; om verdrukten in vrijheid te stellen, om aan te kondigen het genadejaar van de Heer.’ (Lc 4,18-19; cf. 4,16-17)

De mens geworden Zoon van God is geboren ‘door overschaduwing van de Heilige Geest’ (cf. Lc 1,35).  Zo is Hij gezalfd. Dezelfde Geest rust nu op Hem waardoor Hij de stem verheft.

Hij verkondigt het Evangelie aan armen — zowel aan de materieel armen als aan de geestelijk armen.

Gezonden is Hij aan gevangenen — zowel aan hen, door anderen ten onrechte opgesloten, als aan  hen die in zich zelf als gevolg van eigen zondigheid zijn opgesloten.

Gezonden is Hij aan blinden — zowel aan hen die niet kunnen zien als gevolg van oogziekte als aan hen die blind zijn geraakt voor de waarheid die in God is.

Gezonden is Hij aan verdrukten vrijheid te schenken door anderen en door zich zelf — niet alleen tastbaar maar ook geestelijk dus — vrijheid te schenken.

Alleen Gods waarheid immers maakt vrij (cf. Jo 8,32). Vrijheid verkrijgen in God beduidt afkeren van zondigheid en vanuit die duisternis toekeren naar Christus, het Licht van de wereld (cf. Jo 8,12).

Jesaja ’s uitspraak betreft dus niet slechts bepaalde bevolkingsgroepen in woordelijke betekenis maar ons allen in overdrachtelijke zin.

Voorts verkondigt de profeet Jesaja het genadejaar van de Heer aan.

Wat betekent dat uit de mond van Jesus die deze perikoop uit de Joodse Bijbel tot voorlezen in de synagoge heeft gekozen?

De openingszin van Jesaja 61 — ‘De Geest des Heren rust op Mij’ — is door de profeten als belofte begrepen dat Gods toekomstige Gezalfde, Christus, Messias een kwijtscheldings- of vereffeningsjaar, een jubeljaar of heilig jaar naar de voorschriften van het boek Leviticus (cf. 25,8-55) zal uitroepen. Zulks in letterlijke zin maar in uitbreiding ook in figuurlijke zin.

Een dergelijk jaar van genade uit te roepen — ten minste eens per vijftig jaar te vieren — is een gebod dat de Christenen van de Joden hebben overgenomen.

Te zelfde tijd is Christus’ genadejaar aanvang van het Rijk Gods waarvan de geschonken genade tot in eeuwigheid blijft.

De door Hem onderrichte Zaligsprekingen getuigen daarvan, zoals de eerste van de negen treffend verwoordt (Mt 5,3; cf. 4-12): ‘Zalig de armen van geest; want aan hen behoort het Rijk der hemelen.’

Na aldus te hebben gelezen  in de synagoge van Nazareth rolt Jesus het Bijbelboek toe, geeft het terug aan de dienaar en gaat zitten, terwijl aller ogen op Hem zijn gericht. Jesus begint nu de volzin van Jesaja uit te leggen (Lc 4,21; cf. 4,20), zoals dat in de synagoge gebruikelijk is — door de Kerk als gebruik overgenomen.

‘Het Schriftwoord, dat gij hebt gehoord, is heden vervuld.’

Het gevolg van deze zelfbewuste en uitdagende belijdenis volgt onmiddellijk in twee elkaar opvolgende reacties, zoals die onder mensen van toen en van nu gebruikelijk zijn. Eerst onthutsing en bijval, dan aanstoot en afkeuring (Lc 4,22): ‘Allen betuigden Hem instemming en verbaasden zich dat woorden, zo vol genade, uit Zijn mond vloeiden.

Ze zeiden: “Is dat niet de zoon van Joseph?”‘

‘Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria?’, schrijft Marcus (6,3) — daarmee Jesus’ vaderschap in het midden latend. En Matteüs (13,56;cf. 13,54) voegt daaraan toe: ‘Waar heeft Hij die wijsheid vandaan?’

‘En zij namen aanstoot aan Hem.’ (Mc 6,3; cf. Mt 13,57)

Christus doorziet de toehoorders en proeft hun ongeloof, hoewel zij wel Zijn wondertekenen, die Hij  in Kafarnaüm heeft verricht (cf. Lc 4,23), zouden willen meemaken: Jesus als kunstenmaker, als illusionist.

‘Voorwaar, Ik zeg u: geen profeet wordt in zijn vaderstad erkend’, geeft Jesus als antwoord (Lc 4,24).

En Hij verwijst (cf. 4,25-27) naar twee voorbeelden van ongeloof onder het eigen volk, toen alleen geloof gevonden werd (en dus wonderen mogelijk waren) onder de heidenen — het ene uit de tijd van de profeet Elia en het andere uit de tijd van de profeet Elisa.

Tot welk vervulde Schriftwoord uit Jesaja kan de door Jesus gelezen tekst worden teruggebracht dan wel samengevat? ‘De Geest des Heren rust op Mij; want Hij heeft Mij gezalfd.’ Als de Gezalfde des Heren — de Christus — is Hij geroepen als profeet, zoals eertijds andere profeten. Ook zij werden niet in de eigen vaderstad erkend, maar veeleer uitgelachen, uitgestoten, beleefd genegeerd dan wel gehouden voor niet goed bij het hoofd.

Zoals tot de profeet Jeremia eertijds het sturende woord van de Heer is gericht, zo ook is Jesus bekrachtigd bij Zijn Doop in de Jordaan.

Zó is Jeremia gezonden en bemoedigd (Jr 1,4-5.7.9):

‘Voordat ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit; voordat ge geboren werd, bestemde Ik u voor Mij; als profeet voor de volkeren heb Ik u aangewezen […] Naar iedereen tot wie Ik u zend moet gij gaan en alles wat Ik u opdraag, moet ge hun zeggen […] Ik leg hiermee Mijn woorden in uw mond.

En zó is Jesus verzekerd en getroost door de stem van de Vader uit de hemel , terwijl de Geest in de gedaante van een duif op Hem neerdaalde en aldus de drivuldige God Zich manifesteerde (Lc 3,22):

‘Gij zijt Mijn welbeminde Zoon. In U heb Ik welbehagen.’

Wij allen hebben deel aan het profetendom van Christus — de ene meer, de andere minder al naar gelang de gaven van de Geest die ons zijn toebedeeld (1 Kor 12,10) — niettemin allemaal. Zoals de profeet moet uitspreken wat hij in de naam van de Heer heeft te zeggen, zo wij allen — onverschrokken en schrander naar Jesus’ eigen woord (Lc 12,11-12): ‘Weest niet bezorgd hoe of wat ge moet antwoorden of zeggen; want de Heilige Geest zal u leren in dat uur wat gij moet zeggen.’

Kunnen we niet van God getuigen met het woord dan met de daad. Beter nog is het te getuigen zowel in daden als in woorden. Ieder naar gelang de plaats in de maatschappij, het beroep en de roeping (cf. LG 35). En steeds in dit volhardend vertrouwen op de Heer (Ps 70,5): ‘Gij, mijn God, Gij zijt mijn verwachting. Mijn hoop zijt Gij, Heer, sinds mijn vroegste jeugd. Vanaf de moederschoot steun ik op U. Gij waart mijn beschermer sinds mijn geboorte.’

Profeteren, dat getuigen is, kan alleen in liefde geschieden — zo leert ons Paulus’ loflied op de liefde met deze vermelding (1 Kor 13, 8-10): ‘De liefde vergaat nimmer. De gave der profetie zal verdwijnen, tongen zullen verstommen, de kennis zal een einde nemen. Want ons kennen is stukwerk en stukwerk ons profeteren. Maar wanneer het volmaakte komt heeft het onvolmaakte afgedaan.’ — En het volmaakte is Gods liefde.

We keren nog even terug naar de synagoge in Nazareth, waar Jesus heeft gelezen, de vervulling van het Schriftwoord heeft gesproken en het ongeloof van de toehoorders heeft berispt.

In woede ontstoken joegen zij Hem uit Zijn vaderstad en dreven Hem naar de steile bergrand waarop Nazareth is gebouwd om Hem daar in de afgrond te storten (cf. Lc 4,28-29): ‘Weg, weg met Hem.’ (Jo 19,15)

De waarheid blijft altijd pijnlijk.

En Jesus? Hij klopt het stof van Zijn voeten (cf. Mt 10,14 ), gaat midden tussen hen door en verlaat de stad (cf. Lc 4,30).

De wil Hem in de diepte te storten en te vernederen wijst vooruit naar de vernedering aan het kruis die Zijn verheffing zal blijken.