header-05.jpg
 

Advent

5 December 2012 |  Antoine Bodar  |  Preken

In de donkere tijd van de Advent zien we uit naar de zonnewende waarna de dagen zich weer lengen. We vieren juist dan het hoogfeest van Kerstmis, de komst van Christus in de kribbe. Hij is het licht dat in de duisternis komt. God wordt mens, het eeuwige Woord komt in het vlees – tot verheffing, vertroosting en verlossing van ons allen door alle geslachten heen.

I
Zo vertolkt de Vesperhymne het verlangend verwachten van de Heer:
‘Gij die der sterren Schepper zijt,/ met eeuwig licht uw kinderen leidt,/ o Christus die de mensen
redt,/ hoor naar ons innig smeekgebed.’ (Conditor alme siderum,/ aeterna lux credentium,/ Christe, redemptor omnium,/ exaudi preces supplicum.)
Goedertieren heeft God de sterren aan de hemel gezet (cf. Gn 1,15-16) zodat wij zelfs bij nacht niet zonder licht zouden zijn – tekenen van zegening in overvloed. Dank zij Zijn eeuwige licht hebben we het geloof gekregen dat op eigen beurt weer genaderijke verlichting is. Hem, Christus, de verlosser van ons allen, vragen wij onze gebeden te verhoren.
Welke zijn de Adventsgebeden bij uitnemendheid?
In herinnering aan Jesus’ geboorte toen, overwegen we die heilsgebeurtenis en in navolging van Maria die weldra haar Kind zal baren zijn wij in verwachting van Christus’ geboorte. Wij vieren Zijn verjaardag in dankbaarheid en hopen dat Hij opnieuw in ons zelf wordt geboren en ons opnieuw deel geeft aan Zijn goddelijkheid en Zijn kinderlijkheid – in heimwee als wij steeds zijn naar onschuld en zuiverheid. Opdat Zijn vrede al onze ontvredenheid doet verkeren in tevredenheid. Dan betonen we ons kinderen van God en kunnen bij anderen vrede brengen en tevredenheid bevorderen (cf. Mt 5,9). Want wie barmhartigheid betracht, mag barmhartigheid ondervinden (cf. Mt 5,7) – ‘wie goed doet, goed ontmoet’ – al kan dat nooit het doel zijn. Dat is te zeer ‘voor wat, hoort wat’, terwijl Jesus juist oproept tot belangeloze liefde die geen voldoening beoogt.
In de Advent worden we uitgenodigd ook te bidden dat elke angst bij ons weggenomen wordt, voor het geval spoedig het einde der tijden met het Laatste Oordeel zich voordoet en Jesus wederkomt om te oordelen de levenden en de doden. ‘Vreest niet’ – telkens en telkens stelt Christus ons zo gerust in de Evangeliën. En dit is Zijn raad (cf. Lc 21,34-36): ‘Draagt zorg ervoor niet afgestompt te raken door de roes van dronkenschap of door de zorgen van alledag. Blijft uit de strik van de afstomping. Weest altijd waakzaam. En bidt altijd – alleen al om dan stand te houden voor het aangezicht van de teruggekeerde Mensenzoon.’ [Evangelie eerste zondag van de Advent (C)]
Aldus is de Advent drievoudig: naar de mensen eertijds, in de mensen heden, tegen de mensen later (ad homines – in homines – contra homines). In herinnering aan de mensen van toen, denkend aan de mensen van heden, gericht tot de mensen van later.
Tegen de mensen in zoverre zij zich blijven verzetten tegen Gods wil. Zo is de Christelijke tijd verleden, heden en toekomst in enen, zoals Christus Zelf is (Heb 13,8): ‘Jesus Christus dezelfde gisteren, heden, altijd’ (Christus heri hodie semper). ‘Ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde.’ (Apk 22,13)
II
De Advent is de periode waarin we Joannes de Doper al horen verkondigen. Tot slot van de Kersttijd keren we dan naar hem terug, wanneer hij Jesus doopt in de Jordaan – het feest, ten nauwste verwant met het hoogfeest van Driekoningen. Beide zijn epifanieën – verschijningen des Heren, de klaarblijkelijkheid van Jesus’ goddelijkheid naast zijn menselijkheid.
Alleen Lucas en Matteüs verhalen de geboorte en de kindertijd van Jesus. Marcus (1,2-3) begint zijn Evangelie terstond met Joannes’ prediking onder verwijzing naar Jesaja: ‘Zie, ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen – een stem van iemand die roept in de woestijn: “Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht”.’ Welke is de weg van de Heer? Dat is Jesus Zelf (Jo 14,6): ‘Ik ben de weg’, heeft Hij verkondigd. En de paden van de Heer die recht gemaakt moeten worden? Dat zijn de dagelijkse bekering, de dagelijkse zorg om de ander meer dan om ons zelf, de dagelijks te overdenken band met God die uitmondt in bidden.
Ook Joannes (de Evangelist) neemt de Doper meteen op in de opening van zijn Evangelie (1,6-7.15.21.26-27): ‘Er trad een mens op, een gezondene van God. Zijn naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis om te getuigen van het Licht opdat allen door hem tot geloof zouden komen.’ En: ‘Wij hebben Joannes’ getuigenis over Hem toen hij uitriep: “Deze was het van wie ik zei: Hij die achter mij komt, is voor mij; want Hij was eerder dan ik.”‘ En: ‘Neen, ik ben de Messias niet.’ En: Ik doop met water, maar onder u staat Hij die gij niet kent. Hij, die na mij komt. Ik ben niet waardig de riem van Zijn sandalen los te maken.’
Lucas (3,1-3) plaatst het begin van Joannes’ optreden nauwkeurig in de geschiedenis. ‘Het geschiedde in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius’, zo vangt hij aan en noemt behoudens deze, die regeerde van 14 tot 37 (het moet dus in het jaar 29 of 30 zijn gebeurd) zes andere tijdgenoten: Pilatus, Herodes, diens broer Filippus, gouverneur Lysanias en de hogepriesters Annas en Kajafas. Toen dus begon Joannes in geheel de Jordaanstreek ‘een doopsel van bekering te preken tot vergeving van zonden’. [Evangelie tweede zondag van de Advent (C)] De aanvang van Jesus’ openbare leven.
Een gemakkelijke persoon blijkt Joannes in geen van de Evangeliën, gekleed in kameelhaar met een lederen gordel om de lendenen, gehard als hij is in de woestijn waar hij zich in leven heeft gehouden met sprinkhanen en wilde honing (cf. Mt 3,4). Een ascetische figuur, aan wie elke vorm van verdikking (obesitas) kon voorbijgaan. Hij is de profeet van de kloekste soort – de laatste van het Oude Verbond en de grootste (Lc 7,28): ‘Onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan hij’, getuigt Jesus Zelf.
Hij striemt met zijn tong jegens huichelaars: ‘Adderengebroed’ noemt hij hen (Mt 3,7). Wat moeten wij doen, vragen de naar Joannes toegestroomde mensen die het doopsel van bekering dat hij predikt willen ondergaan door zich onder te dompelen in het water van de Jordaan. Zijn raadgeving is nuchter en ook voor ons ter overweging (cf.Lc 3,10-14): Dubbele kleding of overvloed aan voedsel delen met wie niets heeft. Ook tollenaars en soldaten laten zich dopen – verachten en onaanzienlijken. Niet méér vragen dan voor u is vastgesteld, zo tot de eersten. Niet plunderen, niet afpersen en tevreden zijn met uw soldij, zo tot de tweeden. Zo eenvoudig is dus het begin van bekering. Maar wie is hij, Joannes? En Joannes antwoordt (cf. Lc 3,16): ‘Na mij komt Hij die sterker is dan ik. Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.’ [Evangelie derde zondag van de Advent (C)]
Hoe anders zou Jesus de Christus kunnen dopen dan met de Geest, met Wie Hij samen met de Vader de Drievuldigheid uitmaakt? En de Geest is licht, gloed, warmte, vuur – dus verzengend heet en tot de wortel van de ijver reikend, niet slap en niet lauw maar radicaal. Zou de Heer niet nadien bekennen dat Hij vuur is komen brengen, waarvan Hij verlangde dat het al oplaaide en dat verdeeldheid met zich mee zou brengen (cf. Lc 12,49.51)?
III
De Advent is Mariale tijd. We luisteren nog eens naar de Vesperhymne van dit jaargetijde:
‘De wereld zinkt in avond neer,/ Gij treedt als bruidegom, o Heer,/ te voorschijn uit de schoot der Maagd, de zuivre moeder die U draagt.’ (Vergente mundi vespere,/ uti sponsus de thalamo,/ egressus honestissima/ Virginis matris clausula.)
Het uur is aangebroken dat Jesus als de bruidegom uit het intieme vertrek naar buiten treedt — uit de allerschoonste geslotenheid van de Maagd en moeder Maria. Zij immers was in de aankondiging van de engel Gabriel door de overschaduwing van de Heilige Geest in verwachting geworden van Gods Zoon (cf. Lc 1,31.35) en toch ongerept gebleven, geboren als haar Kind is ‘niet uit bloed noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man maar uit God’ (Jo 1,13). En Jesus verschijnt – naar het gezegde van de Psalmist (cf. 19,6-7) als de zon voor wier lichtgloed niets verborgen blijft en als de bruidegom die de bruidskamer verlaat, stralend van vreugde als een held die zijn levensweg aanvangt.
Toen Maria van haar zwangerschap vernam, hoorde zij tevens van de engel dat haar nicht Elisabeth, hoewel oud en onvruchtbaar, een zoon had ontvangen en reeds in haar zesde maand was (cf. Lc 1,36). Daarom reisde de jonge vrouw in haar zwangerschap naar haar bejaarde, hoogzwangere bloedverwante om die bij de bevalling te helpen – Maria vermoedelijk in haar derde en Elisabeth in haar negende maand. Met spoed heeft ze gereisd. Haast was kennelijk geboden. Ze gaat het huis van Zacharias binnen en begroet Elisabeth. Bij het horen van de groet springt het kind, dat Joannes zou heten met als toevoeging ‘de Doper’, van vreugde op in haar schoot. En vervuld van de Heilige Geest roept zij uit: ‘Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Zalig zijt gij – u die geloof hebt wat van Godswege is aangekondigd en in vervulling zal gaan.’ (Cf. Lc 1,39-45) [Evangelie vierde zondag van de Advent (C)]
De Advent is tijd van vreugde. In de liturgie zijn het vooral de profeten die dat uiten – zij die de Messias verwachtten, zij die verlangd hebben te zien en niet hebben gezien wat de leerlingen hebben kunnen zien en hebben gezien (cf. Mt 13,17).
‘Jerusalem, bekleed u met Gods heerlijke schoonheid, sla de mantel van Zijn gerechtigheid om, zet op uw hoofd de schitterende kroon van Zijn eeuwigheid. Want God wil uw luister tonen overal op aarde. Gij heet voortaan “vrede door gerechtigheid” en “glorie door vroomheid”. Op Jerusalem, bestijg de hoogte en blik naar het oosten.’ Zo juicht de profeet Baruch (cf. 5,1-5.9): ‘God geleidt u, Israel, in Zijn vreugdevolle licht en omringt u met Zijn barmhartigheid en Zijn gerechtigheid.’ [Eerste lezing tweede zondag van de Advent (C)]
Laten we daarop vertrouwen en daarvan getuigen in de toch soms donker lijkende periode waarin wij leven. Laat fierheid ons deel blijven en vreugde om ons geloof aan onze zijde.
Wie evenwel is dat Jerusalem of Sion of Israel – voorgesteld als een aangesprokene, meesttijds als een vrouw? Zij is de aangesprokene die het gehele volk vertegenwoordigt. Dat is het volk dat nog in duisternis wandelt maar een groot licht ziet dat straalt over hen die wonen in het land van doodse duisternis (cf. Js 9,1). En zo luidt de verkondiging van de Heer (Js 62,11-12): ‘Spreek tot Vrouwe Sion – Uw Redder is op komst. Degenen die Hij Zich heeft verworven […] gaan voor Hem uit. Zij zullen heten “heilig volk, verlosten van de Heer”. En gij zult heten “beminde, nooit verlaten stad”.’
Vandaar ook van te voren al de vreugde bij de profeet Sefanja (3,14.17): ‘Sion, jubel van vreugde, juich, Israel, verheug u en wees blij met geheel uw hart, Jerusalem.’ ‘De Heer, uw God, is bij u als een reddende held. Opgetogen van blijdschap is Hij om u. Door Zijn liefde maakt Hij u nieuw. Om u jubelt Hij van vreugde.’ [Eerste lezing derde zondag van de Advent (C)]
De apostel Paulus vat alle Adventsvreugde nog eens samen (Fil 4,4-5): ‘Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens zeg ik het: verheugt u. Laat uw ingetogenheid bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij.’ (Gaudete in Domino semper. Iterum dico: gaudete. Modestia vestra nota sit omnibus hominibus. Dominus prope est.) [Tweede lezing derde zondag van de Advent (C)]
In de vordering van de Adventsperiode en de nadering van Kerstmis wordt in de liturgie de aanstaande geboorte van Christus des te meer welomschreven.
‘Gij, Bethlehem in Efrata, al zijt gij klein onder Juda’s geslachten, toch zal uit u geboren worden Hij die over Israel zal heersen. In het verre verleden ligt Zijn oorsprong, in lang vervlogen dagen.’ Aldus kondigt de profeet Micha (5,1) de geboorte van Jesus uit het geslacht van David aan. (En Matteüs (2,1) haalt die passage in zijn Evangelie nog eens aan). David is de jongste van acht zonen van de Efratiet Isaï (cf. 1 S 17,12.14), waaromtrent het Kerstlied ons verhaalt: ‘Er is een roos ontsprongen/ uit ene wortelstam/ die, lijk ons d’ouden zongen,/ uit Jesse [Isaï] ’t leven nam./ Nu heeft zij bloem gebracht,/ in ’t midden van de winter,/ in ’t midden van de nacht. // O rozenstruik Maria,/ o alderpuurste Maagd,/ van u zingt Isaias [11,1]/ van ’t bloemken dat gij bracht;/ want eeuwig in Gods raad/ lag dat gij ’t Kind zoudt baren/ tot alder wereld baat.’ [Eerste lezing vierde zondag van de Advent (C)]
En nog vóór de viering van de geboorte van Gods Zoon als mens beluisteren we al in Christus’ woorden tot de Vader, die Hij ontleent aan de Psalmist (40,7-9), het gevolg van Zijn te brengen offer dat voor eens en altijd alle andere offers overbodig maakt (Heb 10,5-7): ‘Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. Toen zei Ik: Hier ben Ik. Zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat, Ik ben gekomen, o God, om Uw wil te doen.’ [Tweede lezing vierde zondag van de Advent (C)]
We verkeren al even in de hof van Olijven waar Jesus bidt (Lc 22,42): ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Nu al wordt ons de kern van Jesus’ leven voorgehouden in de navolging waarvan wij staan: Niet het zoeken van de eigen wil, maar het doen van Gods wil (Mt 6,10): ‘Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.’