header-05.jpg
 

Herder

3 oktober 2018 |  Antoine Bodar |  Folia

Hij studeerde geschiedenis en nog veel meer: Nederlands bekendste priester Antoine Bodar. Dat historicus, filosoof, theoloog, literatuurwetenschapper en kunsthistoricus Antoine Bodar zo bekend is, is niet verwonderlijk: hij treedt met zijn kennis veelvuldig naar buiten en schuwt de media niet. Sterker nog: ‘Als de camera’s draaien ben ik in mijn element.’
Momenteel treedt Bodar op als vaste gast in het KRO/ RKK discussieprogramma Soeterbeeck, waarin actuele zaken worden belicht vanuit katholiek perspectief. Over de kredietcrisis: ‘We kunnen beter investeren in het eeuwige dan in het tijdelijke, waar toch de mot in komt. Ik heb mijn gebeden niet aangepast aan de financiële crisis. Integendeel.’
Antoine Bodar (1944) is een veelwetenschapper. Naast de vijf studies die hij afmaakte – in één ervan, de filosofie, promoveerde hij bovendien aan de UvA – studeerde hij ook nog enige jaren perswetenschappen en rechten. Naast Amsterdam en Leiden, studeerde hij in Zwitserland en Engeland en studeert hij nog steeds in Rome, waar hij woont in het Duits-Oostenrijkse priesterhuis Santa Maria dell’Anima. ‘Ik word daar goed verzorgd, het is een prima huis voor iemand die geen avonturier is. Een avonturier ben ik alleen in mijn kop. Ik ben het hele jaar in Rome, behalve in augustus. Dan is het er te heet. Tussendoor kom ik geregeld naar Nederland voor lezingen, voor de vervulling van mijn bijzonder hoogleraarschap in Tilburg of voor optredens in de media. Rome is mijn studeerkamer, Nederland is mijn podium.
In het begin van de jaren zestig zat ik op het gymnasium van de paters jezuïeten in Amsterdam, het Ignatius College. Ik werd eraf gestuurd, want ik zou te dom zijn.
Dat was natuurlijk niet waar, maar ik was een te grote dromer: ik was van jongs af aan gegrepen door de mystiek van de liturgie en wilde priester worden. Dat idee raakte trouwens op de achtergrond door mijn veronderstelde domheid en door de “Beeldenstorm”, als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie.
Uiteindelijk haalde ik toch mijn staatsexamen gymnasium. Ik woonde en werkte toen al in Amsterdam, dus het was logisch dat ik daar ook ging studeren. Geschiedenis leek me een goede studie om mee te beginnen; het bevat allerlei disciplines als literatuur, filosofie, theologie en cultuur. Als katholiek is het prettiger om naar een neutrale universiteit als de UvA te gaan en niet naar een confessionele. Heidenen staan veel onbevangener in allerlei kerkelijke en katholieke discussies.
In 1969 begon ik aan mijn studie geschiedenis aan de UvA, maar zo neutraal was die universiteit toen niet: het was een zeer rode universiteit, waarvan de kwaliteit te wensen over liet: wie het juiste marxistische standpunt verkondigde kon er zeker van zijn punten te halen. Dat vond en vind ik niet echt een wetenschappelijke houding. Historicus Jan Romein werd bijvoorbeeld beschouwd als een marxistisch historicus, terwijl zijn opstellen meer hegeliaans dan marxistisch zijn. Maar dat kon je echt niet zeggen en dat deed ik wel. Ik herinner me dat hoogleraar Maarten Brands eens tijdens een discussie heeft moeten ingrijpen en het voor me opnam. Toen ik in 1974 mijn eerste doctoraalbul had gehaald, was ik gelijk ook klaar met de One Man, One Vote-ideologie van de marxistische UvA. Ik ging in het beschaafde en welgemanierde Leiden verder studeren in de filosofie, kunstgeschiedenis en literatuurwetenschap. Toen ik in 1987 terugkwam aan de UvA om te promoveren was die hele ongemanierde en marxistische sfeer trouwens verdwenen.
Doordat ik nog steeds heel veel studeer zijn de universiteit en de kerk eigenlijk mijn thuis. De alma mater en de alma ecclesia hebben elkaar ook wederzijds bevrucht. Een priester is niet alleen liturg en herder, maar ook leraar. Het universitair leraarschap bestaat voor mij daarom uit leraarschap met een grote dosis herderlijkheid: het gaat in de eerste plaats niet om wat je leert, maar om algemene vorming. Ik ben bang dat het daar tegenwoordig nogal eens aan ontbreekt en daarom ben ik ook tegenstander van al te nauwe banden tussen de universiteit en het hbo. En het studenten initiatief om een actie te beginnen tegen de uitkleding van het talenonderwijs is ook een actie die ik van harte ondersteun.’