Antoine Bodar

Zingen zuivert de ziel.

header-05.jpg
 

Thuis in de Bijbel

7 February 2014 |  Museum Catharijneconvent, Utrecht  |  Lezingen

Openingswoord tentoonstelling 7 II 2014 Museum Catharijneconvent Utrecht

I
Thuis in de Kerk beduidt thuis in de Bijbel. Want wie zou het Woord kunnen kennen, Jesus Christus, zonder de Vader te kennen en wie zou God als Vader kunnen kennen, indien hij niet de Kerk als Moeder zou waarderen? Naar een woord van Cyprianus.
Maar wie bezoekt nog het kerkgebouw, behoudens voor de opening van een culturele manifestatie? Zo zijn velen verstoken van de Schrift. Want zij, die de Bijbel thuis lezen bij de maaltijd gezamenlijk of alleen met dit heilige boek in een hoek, zijn meestal eveneens degenen die op zondag de kerk aandoen en het Woord beluisteren en overwegen.
Thuis in de kunsten dan? Thuis in die kunsten is zoals thuis in de Bijbel – zaak van een steeds kleiner gezelschap. Het thuis zijn in de Bijbel immers is bijna voorwaarde thuis te geraken in de kunsten – niet noodzakelijk die van het heden maar stellig die van het verleden. En wie het verleden verontachtzaamt en zo de geschiedenis, de traditie, de cultuur niet leert kennen, die verhoudt zich als een kind tot een volwassene.
II
Wie een verhaal beluistert, maakt zich een voorstelling van hetgeen hij hoort. Het geloof moge dan uit het gehoor zijn (cf. Rom 10,17), bij het gesproken woord van de predikant, dringt zich bij de toehoorder het beeld terstond op. Wie het woord hoort, ziet het beeld. Is niet in schilderkunst het beeld in enen te vatten wat de schriftuur eerst stilaan als beeld kan vrij geven?
Zo leert ons Gotthold Ephraim Lessing: Terwijl de beeldende kunst in ruimte het ene naast het andere toont, is het de literatuur pas in tijd gegund het ene na het andere te ontsluiten. Nochtans – in weerwil van hem, wijsgeer uit de tijd van de Verlichting – is al sedert de Renaissance het adagium van Horatius in zwang gebracht dat schilderkunst als dichtkunst is (ut pictura poesis) – de schilder beeldt op gelijke wijze uit in tekening en met verf hetgeen de schrijver doet met pen en papier.
De Bijbel als het Woord Gods is de Schrift en bepaalt de vorming van het daarvan vervaardigde beeld in het hoofd van de luisteraar of de lezer. In de gewone zin van elke dag evenwel mag dan ook het woord – het begrip dat met verstand van doen heeft – boven het beeld staan, het beeld echter blijkt sterker dan het woord – zeker in onze periode van leven die zich daardoor verbindt met de tijd van de Middeleeuwen en eerder – ook zo’n veeleer visueel dan verbaal tijdperk als het onze.
Onderrichtte niet Gregorius de Grote aan de toen nog ene Kerk – met name die van het westen – dat schilderingen ongeletterden schenken wat woorden aan geletterden geven? Zoals woorden geleerden scholen, zo beelden eenvoudigen. Niet minder. Zij immers zijn Gods oogappelen, omdat hun als Gods beminden het rijk der hemelen toebehoort (cf. Mt 5,3).
Het was sedert de late Oudheid dat taferelen uit de Bijbel de gelovigen eerst in mozaieken en schilderingen en op perkament, later ook in sculptuur en glasramen en op gebruiksvoorwerpen werden voorgehouden. Want het Woord is als Woord levend. Het heeft onder ons gewoond in de persoon van Jesus Christus (cf. Jo 1,14) – beeld van de onzichtbare God (cf. Kol 1,15). God heeft door de menswording van het Woord de gehele stoffelijke wereld geheiligd, schrijft Joannes van Damascus, theoloog in de Kerk van het oosten. In de verering van de schepping eren wij de Schepper. De schepping verwijst naar de Schepper. En de kunstenaar schept zoals de enige Schepper, de goddelijke Kunstenaar Die de menselijke kunstenaar doet scheppen – analoog aan Zijn wijze van scheppen.
En de profeten in de Joodse Bijbel, het Oude Testament, verlenen zij niet naast stem van God stem voor Gods volk en naast oog van God oog voor Gods volk, opdat het luistert en inziet?
Thuis in de Bijbel wordt zo thuis zijn in woord en beeld van de Schrift. Maar de Schrift zelf is reeds een boekerij. En elke schriftuur kan – althans volgens Dante Alighieri in diens Convivio op viererlei wijze worden gelezen: letterlijk (precies zo gebeurd of bedoeld), allegorisch (in zinnebeelden sprekend), moreel (ons gedrag belerend), anagogisch (onze ziel verheffend).
We voegen daaraan nog eens toe deze wijsheid uit het leven van elke dag: Zo veel woorden, zo veel beelden. Zo veel hoofden, zo veel zinnen.
III
Hoe staat het onderwijl met het beeldenverbod, verwoord in Exodus (20,4) en in Deuteronomium (5,8), in het tweede en in het vijfde boek van de Pentateuch?
‘Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde.’ De kwestie is of het hier gaat om het tweede van de Tien Geboden of om de nadere toelichting van het eerste gebod. Dat luidt (Ex 20,2 & Dt 5,6-7) zo: ‘Ik ben Jahweh uw God Die u uit Egypte, het slavenhuis, heb geleid. Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij (cf. Ex). [Of:] Naast Mij zult gij geen andere goden hebben (cf. Dt).’
Om de bondigheid van de uiteenzetting beperken we ons tot de christenheid van het westen en daarbinnen tot protestanten en katholieken.
In de calvinistische tongval vooral wordt de beeldenkwestie meesttijds als apart gebod beschouwd. Daarmee is het gebod eigenlijk verbod en indien toch rekkelijk opgevat, dan moet het uit te beelden onderwerp beperkt tot hoogst beperkt blijven en dient de verbeelding bij voorkeur de letterlijkheid en de moraal van het Bijbelse verhaal en wordt op grond daarvan in de beeldende kunsten vanzelfsprekend gemakkelijker gekozen voor onderwerpen uit het Oude Testament dan uit het Nieuwe.
Om twee redenen: De hoeveelheid thema’s in het Oude gaat verre die in het Nieuwe Testament te boven; want het tweede testament is naar omvang een geringheid tegenover het eerste. In het Nieuwe Testament figureert voortdurend de Heer Jesus Zelf, beleden als de Zoon van God en derhalve God en derhalve, zoals in de Joodse traditie, onwederrechtelijk weer te geven, tenzij eventueel in Zijn mensheid als de leraar of de lijdensknecht, maar dan toch liever als levensles dan als heilsgebeurtenis. Dus niet de aankondiging van de engel Gabriel aan Maria, niet de geboorte van Christus, niet het laatste avondmaal, niet de kruisiging op Golgotha. Dan eerder Jesus als leermeester in het huis van Martha en Maria en nog beter een parabel, een levensles dus, zoals die van de rijke vrek en de arme Lazarus of die van de verloren zoon of in het Oude Testament de Joodse Bijbel het verhaal van de kuise Joseph en de hitsige vrouw van Potifar of dat van de onverschrokken Daniel in de leeuwenkuil.
In de katholieke tongval wordt het omgaan met God als één enkel gebod begrepen (cf. KKK 2084-2141: de vier artikelen van het eerste gebod ): ‘Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen. Hem alleen zult gij eer bewijzen. Gij zult geen andere goden naast Mij hebben. Gij zult geen godenbeelden maken.’ Het beeldenverbod immers vindt zijn oorzaak in het verbod vreemde goden aan te hangen en volgt dus even logisch als practisch uit het gebod alleen de Heer God te belijden (Dt 5,9): ‘Ge moogt u niet voor hen [de andere goden] neerbuigen en hen niet vereren; want Ik, Jahweh uw God, ben een jaloerse God […]’
De Moederkerk volgt in deze uitleg de bisschop en kerkvader Augustinus.
Dezelfde Augustinus houdt de christenen deze les voor (cf. DV 16): Novum Testamentum in Vetere latet et in Novo Vetus patet (Het Nieuwe Testament verbergt zich in het Oude en in het Nieuwe opent zich het Oude). Het is de belijdenis en de beleving dat het tweede testament het eerste voltooit, zoals het Oude Verbond in het Nieuwe geenszins wordt teniet gedaan maar altijd blijft en zich vereeuwigt in Jesus’ woorden (Mc 14,24; Ex 24,8): ‘Dit is mijn “bloed van het Verbond” dat vergoten wordt voor velen.’
Bijbel-lezing geschiede daarom met de ogen van Christus. Alleen Hij reikt de sleutel tot ontsluiting van de Schrift. Beide Testamenten samen zijn als de spiegel waarin de Kerk tijdens haar aardse pelgrimstocht God schouwt (cf. DV 7) en aldus vormt de studie van de Bijbel de ziel van de theologie (cf. DV 24). Want wie de Schrift niet kent, kent Christus niet, leert ons de biblist en kerkvader Hieronymus (cf. DV 25).
Wat volgt uit deze waarneming ten aanzien van de beeldende kunsten in opdracht van katholieken? Voortgaande uitbeelding van de heilsgeheimen met een nadruk op die in het Nieuwe Testament en, voor zover gekozen uit het Oude Testament, dan bij voorkeur als voorafbeelding, als typologische duiding die in het Nieuwe Testament wordt verwerkelijkt (cf. DV 15). Zo wijst Adam naar de nieuwe Adam (Christus), Eva naar de nieuwe Eva (Maria), Mozes naar de nieuwe Mozes (Christus) en de te offeren Isaäk, de zoon van Abraham, naar de te offeren Jesus, de Zoon van God.
IV
Reeds in de loop van de Middeleeuwen groeit de gewoonte in de beeldene kunsten heilsgebeurtenissen weer te geven in eigentijdse kleding, in eigentijdse omgeving. Hoe veel hebben kunsthistorici niet kunnen leren van dergelijke weergaven omtrent de kleding, de inrichting van het huis, de woonomgeving van toendertijd? En als we in dezen dergelijke kunsten van het zuiden en het noorden in Europa met elkaar vergelijken, dan treft dat vooral in de vijftiende eeuw Italianen heilige taferelen tamelijk voornaam en dus formeel houden, terwijl Vlamingen die volledig huiselijk kunnen doen zijn. In Italië ontvangt Maria de engel Gabriel of treft zij haar nicht Elisabeth in een prettig paleis en daar vinden ook de bruiloft van Kana en dergelijke plaats, terwijl in de Nederlanden gezelligheid en informaliteit de toon van de omgeving bepalen – de volkstelling te Bethlehem in een Vlaams dorp, Jesus geboren in een slordig Nederlandse stal, Maria die in een Zuid-Nederlands goed burgerlijk huis, uitgedost naar de Bourgondische mode van de tijd, Gabriel te woord staat, zo zij – na Jesus’ geboorte – het goddelijke Kind al niet een papje voert.
Dit alles heeft te maken zowel in het noorden als in het zuiden met de behoefte aan aanschouwelijkheid van de goddelijke gebeurtenissen, beleving van het menselijke aspect van het mysterie.
Niet zo maar wilde Franciscus van Assisi het Kerstgebeuren zelf beleven en anderen doen beleven door de kerststal toendertijd in het Umbrische vlekje Greccio te doen bouwen en zo echt te kunnen zien. God is niet alleen ver af, maar Hij is tevens dicht bij in de mens geworden Zoon Gods in de kribbe. Ook de latere Moderne Devotie met Geert Groote en Thomas van Kempen verdienen in dit kader melding. In die Noordwest-Europese kring van christenen wilden leken en klerken samen Gods nabijheid in Jesus intiemer beleven en Hem in eenvoud door innerlijk leven navolgen – wars van de uiterlijkheid waarvan de wereld altijd, tot de dag van heden, droomt en zich belangrijk acht.
Toen deed zich de intens droevige en immer nog te betreuren breuk voor in de ene Kerk van het westen. Na het gedenkwaardige jaar 1517 – in 2017 door protestanten te vieren, door katholieken slechts met leedwezen te gedenken – ontstonden telkens weer nieuwe groepen protestanten die in enen getuigden en protesteerden en steeds weer het met elkaar niet eens konden worden omtrent de uitleg van de Schrift en daardoor maar weer een eigen christengroep oprichtten met elk het eigen gelijk aan eigen zijde.
Binnen het calvinisme moest ten strengste worden afgerekend met de algemene beeldencultuur die in andere variaties van het protestantisme nog was toegelaten. Het beeld verbannen en het woord te duidelijker gehoord: uitsluitend het oor vangt in het vervolg de boodschap van het Evangelie (cf. Rom 10,17). Verbaliteit alleen voortaan in plaats van visualiteit en verbaliteit samen. Beeldende kunstenaars dus grotendeels verstoken van godsdienstige opdrachten. Werden hun opdrachten al niet beperkt door de leer van het principe sola Scriptura, eens te meer nog eens door het beeldenverbod – de gekozen uitleg van dat verbod als afzonderlijk gebod.
Hoe dan toch nog thuis te zijn in de Bijbel langs de weg van de beeldende kunsten?
Te zelfder tijd, althans in de loop van de zestiende eeuw, verzelfstandigen zich in de schilderkunst langzamerhand onderscheiden genres die in de zeventiende eeuw pas echt werkelijkheid worden met lieden als Esaias van de Velde en Jan van Goyen: landschap, interieur, stilleven, stadsgezicht, genretaferelen. Thuis in de schilderkunst van de Hollandse Gouden Eeuw betekent thuis zijn in alle genres. De bloei daarin hangt mede samen met het wegvallen in de door het protestantisme overheerste Noordelijke Nederlanden van onderwerpen uit de heilsmysteriën, de heiligenlevens, de sacramenten – althans voor zover kunstenaars, zoals Bloemaert Honthorst, Dujardin en ook Vermeer, niet toch de gebruikelijke (vanaf dan typisch katholiek geheten) taferelen bleven uitbeelden .
Maar juist dank zij de verschillende genres – het genrestuk in het bijzonder – krijgen Bijbelse taferelen ander maal een kans – zij het beperkt, meer tot lering wellicht dan tot vermaak, de moraal onderrichtend. Tevens eigent zo eenieder zich naar believen de Bijbel gemakkelijker toe – tot bevordering van eigen eer en tot aanwending van propaganda.
Voorts is het ook dan zoals altijd op de kunstenmarkt kwestie van vraag en aanbod enerzijds en van betalende opdrachtgever en betaalde uitvoerder anderzijds.
Drie voorbeelden ter toelichting:
In een landschap onder geboomte plaatst Ferdinand Bol een man en een vrouw. Zij houden elkaars hand vast, beiden gestoken in toneeldracht. Een huwelijksportret. Het zijn klaarblijkelijk Isaäk en Rebecca. Moraal (cf. Gn 24,67): Echtelijke trouw volvoert in bestendigheid Gods wil.
Gillis Mostaert geeft Jesus als leraar weer in een omgeving die aan de ene zijde stedelijk is met vrolijkheid en vermaak – waar te nemen door een brede pronkerige poort – en die aan de andere zijde lieden toont die hun kruis dragen en door een smalle, eenvoudige poort gaan en een berg beklimmen. Moraal (Mt 7,13-14): ‘Gaat binnen door de nauwe poort; want de brede poort, waardoor velen naar binnen gaan, leidt naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven en smal de weg daarheen die maar weinigen weten te vinden.’
Hier bij Mostaert is Jesus Zelf nog te zien. Maar na verloop van tijd zal de schildering van alleen de brede en de smalle poort volstaan om de levensles voor te houden. En dat tot de dag van vandaag.
Bij het derde voorbeeld vermeld ik vooraf katholiek te zijn, geboortig uit de stad ‘s-Hertogenbosch.
Een schilderij van Jacob Gerritszoon Cuyp uit 1630 een jaar na de inname van de stad door de zo geheten Stedendwinger: Op de achtergrond in de verte de bezette stad – bevrijd, zoals in schoolboeken staat. Op de voorgrond muziek makende vrouwen en dansende putti. Een engeltje reikt zwevend in de lucht Frederik Hendrik de zegenkrans. In zijn hand draagt hij een slinger en aan zijn voeten ligt een reuzenkerelskop. De zegeviering van David over Goliath (cf. 1 S 17,48-51). De zegepraling van de prins van Oranje over koning Philips IV van Spanje.
Moraal: Zoals Goliath is verslagen door David, zo verslaan de Hollanders de Spanjaarden.
Moraal of propaganda? Gebruik van het boek Samuel of misbruik van de Bijbel?