Antoine Bodar

Leven is louter dienen.

header-05.jpg
 

Presentatie van het boek ‘Eeuwigh gaat voor Oogenblick’

30 March 2017 |  's-Hertogenbosch  |  Lezingen

 

Presentatie van het boek ‘Eeuwigh gaat voor Oogenblick’

30 III 2017 Boekhandel Heinen ‘s-Hertogenbosch.

Eeuwigh gaat voor Oogenblick is het gesprekken-programma over zingeving dat in twee series door RKK/KRO-televisie is uitgezonden. Met de opheffing van de RKK-zendtijd is tevens deze rubriek beëindigd.

De titel van beide series is ontleend aan Joost van den Vondel. Het is zijn overzetting van het in de Middeleeuwen gangbare gezegde Praestant aeterna caducis (Het eeuwige gaat het vergankelijke te boven).

De dichter troost in Kinder-lyck de moeder bij het sterven van haar kind door het dode kind zelf haar eraan te laten herinneren dat deze wereld slechts ‘dwerrelt’ en voorbij gaat in een kortstondig leven. Zij zou moeten bedenken dat haar kind nu boven ‘leeft en zweeft als engeltje van het hemelrijk’.

Vanuit die overweging — laat de tijd de tijd, het is de eeuwigheid die blijft — zijn de gesprekken gevoerd, in een poging de gast voorbij de bezigheden van alledag zich te doen uiten en zo van zichzelf een klein portret te tonen dat, wars van de huidige tijdsgeest, geen zier geeft om de waan van de week.

De eerste serie van zestien interviews is uitgezonden in  de seizoenen 1990-1992, de tweede serie van negentien gesprekken in de seizoenen 2011-2016.

In de eerste serie zijn de gesprekken dubbel zo lang als in de tweede; toen vijftig minuten, nu vijfentwintig. Naar deskundigen berichten is de kijker heden ten dage niet meer in staat een forse gesprekslengte aan te kunnen. Als gevolg daarvan zijn in vergelijking de huidige interviews meer gefragmenteerd dan de vorige waarin een kalme gespreksboog  zich heeft kunnen ontwikkelen. Daarentegen bevordert de betrekkelijke snelheid van gedachten-wisselingen nu het wellicht wakker bij het gesprek blijven van de toeschouwer.

Destijds zijn de interviews geprogrammeerd geweest op de late avond, die van kort geleden in de late namiddag. Daarbij voegt zich dat de jongste serie steeds is uitgezonden in de Kersttijd of in de Paastijd. Die hoogfeesten bepalen de sfeer van deze gesprekken.

In 1992 is bij uitgeverij Balans in Amsterdam een bundeling van zes gesprekken verschenen, nu in 2017 bij uitgeverij Adveniat in Baarn een bundeling van zestien.

Bij het lezen van de hier gebundelde gesprekken heb ik die herbeleefd als ontmoetingen, nu op papier, die op mij zelf indruk hebben gemaakt. Ik heb geprobeerd mijn taak op te vatten als slechts te luisteren om zo de ander uit te nodigen te spreken. Ik heb niet getracht een eventueel gelijk aan mijn zijde te krijgen. Enerzijds niet omdat daarvoor zich genoeg andere mogelijkheden voordoen, anderzijds niet omdat gelijk krijgen nog minder interessant is dan gelijk hebben.

Hoewel mijn eigen levenszin God als persoon is die zich geopenbaard heeft in Jezus Christus, zijn de interviews naar ik hoop zo gehouden dat de gast volledig, althans genoeg ruimte is gelaten de volledig eigen levensvisie te ontvouwen.

Juist de confrontatie met een andere levensinstelling daagt uit en brengt de vraag in het midden, of niet de eigen levensvisie herziening behoeft.

Weliswaar christen en ook priester ben ik naar eigen inzicht niet wereldvreemd en evenzeer als elke andere Nederlander of Vlaming kind van mijn tijd, hetwelk mogelijk het gesprek heeft kunnen bevorderen.

Van mijn televisie-gasten, die ik door dezen dank, heb ik geleerd dat een samentreffen een geschenk is, mits men elkander wil zien in broederlijkheid, hoogachting en eigenheid.

Mijn dank gaat voorts uit naar Leo Fijen die de tweede serie heeft mogelijk gemaakt, nadat de eerste hardhandig als ‘niet behorend tot de cultuur van de KRO’ hardhandig was beëindigd. Dat was in de periode van de polarisatie van de vaderlandse, meer dan baldadige Moederkerk. Ik dank de redacteuren, de productrieleidster, de regisseur met de floormanager, de cameralieden, de grimeuse (die aan het begin van deze maand maart is gestorven).

Ik dank de uitgeverij Adveniat — in het bijzonder uitgever en redacteur Marjet de Jong wier geduld zich paart aan mijn ongeduld.

U, mijnheer de commissaris van de koning van de provincie Noord-Brabant — eertijds gast in ons programma — dank ik voor de opluistering van uw aanwezigheid bij deze overreiking van de bundel gesprekken aan u — vergezeld als u bent (tot vergroting van opluistering van deze samenkomst) door twee eminences grises — beiden ook eertijds onze gast — de bijzondere excellenties Dries van Agt en Hans Wiegel (dezer dagen te passender in de actualiteit om de voortvarende spoed en het wederzijdse vertrouwen van toen waar het gaat om landsbelang boven partijbelang, de bevordering van een richting gevend kabinet, daar in een Haagse bistro(t) destijds overeengekomen in een goed gesprek.

Wat zouden wij mogen verstaan onder een goed gesprek?

Ik noemde al het wederzijdse vertrouwen, voortgekomen uit een wederzijdse herkenning en ook erkenning — respect over en weer, waarbij het ‘geef en neemt’, ‘hoor wat, voort wat’ niet noodzakelijk — in weerwil van de raad van de Schrift — niet terstond afwezig behoeft te blijken.

Het gesprek vervliegt niet, het blijft in het geheugen, het zet zich voort in de brief en het beklijft veelal nog al eens in het boek — de bundel die in de samenstelling een gekozen eenheid schenkt en daarmee een vorm van blijven in overlevering, in traditie desgewenst, van de ene generatie jegens de andere en zo van de ene tijd naar de andere tijd.

Mijn persoonlijke genoegen in het voeren van de beide reeksen gesprekken, waartoe mij de gelegenheid is gegund — meer dan een kwart eeuw geleden in verlegenheid en nu in jonger tijd met mate van zelfvertrouwen geleid — roept althans bij mij de dankbaarheid terug om elke werkelijke ontmoeting; want elk, zulk treffen is een blijven — een teken (en en daarom blijvend) dat voorbij gaat aan de tijd, ja zelfs voor sommigen onder ons wordt tot voorteken van de eeuwigheid.

Vandaar de titel van de nu definitief besloten serie ‘Eeuwigh gaat voor Oogenblick’.

U allen, dames en heren, dank ik voor uw aanwezigheid.

U, excellentie Wim van de Donk, dank ik voor de verwaardiging deze bundel gesprekken nu, in de hoofdstad van uw provincie, in ‘s-Hertogenbosch, tevens mijn geboorte-oord, te willen aannemen.