header-05.jpg
 

Ontbering van het heilige

1 December 2012 |  Antoine Bodar  |  Lezingen

I
Dit najaar viel het mij te beurt, op uitnodiging van een groep christelijke zoekers in Heemstede en Aerdenhout, te spreken over spiritualiteit. Ik liet derhalve niet na de Heilige Geest Zelf in het midden te brengen – Spiritus Sanctus – en op grond daarvan uit te weiden over verscheidene wegen daarbinnen. Want die kan meer aansluiten bij het Jodendom of de Orthodoxe Kerken of gericht zijn op de oekumene met de Reformatie.
De voorkeur kan uitgaan naar de monastieke of de liturgische spiritualiteit. Of naar de Bijbelse zonder meer. Of naar een eigen gekozen combinatie van dat al. Ik bracht het lezen en overwegen van de Heilige Schrift in het midden, het gaan naar de kerk op zondag – want geloven doen we niet slechts alleen maar ook samen – en het bidden. Zonder te blozen legde ik uit dat bidden allereerst verkeren met God beduidt en dat klassiek onderscheid gemaakt wordt tussen danken en prijzen, belijden en smeken. Is bidden niet allereerst naar het woord van de Psalmist (cf. 131,2) als het kind dat zit op moeder haar schoot waardoor het stil wordt en geborgen is?
Waarom is het momenteel in onze streken zo beroerd gesteld is met het geloof van het christelijke volksdeel? Crisis in de instituties om meer redenen. Lauwheid en slapheid onder katholieken. Al te grote vrijzinnigheid bij menig protestant. Niet geringe luiheid bij menig katholiek. Zelf ben ik katholiek en afkomstig uit de generaliteitslanden van voorheen, waar Kerk en cultuur in tweederangs burgerschap verweven waren en waar de pastoor alles van het geloof wist waardoor wij Brabanders zelf het in dier voege wat rustiger aan konden doen.
‘Ik ben helemaal niet lui’, interrompeerde mij een dame, ook daar van onder de Moerdijk kennelijk, die het algemeen ontvouwde op haar hoogst persoonlijk betrok. Reden dat de groepsleider – intellectueel, protestant, vrijzinnig – opstond en zei de avond te willen redden. Of ik wel besefte dat al deze mensen allemaal een oppas hadden moeten regelen om vanavond aanwezig te kunnen zijn. Of ik wel besefte dat deze hard werkende mensen allemaal zo zóékend waren. Ja, dat wilde ik natuurlijk beseffen. Maar niet een ander maar ik was uitgenodigd te komen spreken en deed dat naar geweten. ‘Dan had u liever een ander als spreker gevraagd’, reageerde ik.
Het bleef aanvankelijk toen wat kil in het warme zaaltje, maar in de vordering van de avond nam de openheid van spreken toe. Ik beluisterde veel van de hand steken in de boezem van de Kerk en weinig of niets van de hand steken in de eigen boezem. De gelovige als consument.
En toen kwam de zondagochtend ter sprake – toch vanaf het begin van het christendom bedoeld om samen ons te scharen rond Christus in de liturgie: ‘Maar daarvoor hebben we helemaal geen tijd. Wij moeten dan naar het hockeyveld.’ Nu houdt God van sport. De opvolger van Petrus, die in Rome zetelt, kan zulks bevestigen. En de hockeyers blijven kinderen van God. Maar heeft niet alles zijn tijd?
Begrippen als ‘spiritualiteit’ en ‘mystiek’ zijn heden de meest gebezigde woorden, waarin zoekers elkaar aanreiken hoe innerlijk zij wel bezig zijn en hoe goed zij het zich daarin met zichzelf hebben getroffen. Mensen die zich zelf spiritueel noemen of zelfs mystiek kunnen bij mij rekenen op een onmiddellijk uitbrekende allergie die zich nauwelijks of liever niet laat genezen en ternauwernood is te beheersen. Ik proef in beide begrippen het huidige ik-tijdperk eminent vertegenwoordigd.
Zijn beide al niet leeg geworden, dan zijn zij beide toch ten minste teruggebracht tot container-begrippen, die alles kunnen beduiden en dus niets meer zeggen – behoudens dan veel ‘ik’.
Waarom zo de Henri Nouwen Lezing aan te vangen?
II
Ik heb deze priester van het aartsbisdom Utrecht, in de bisschopsstad waarvan we nu zijn samengekomen in een vooral voorheen Godshuis, nooit ontmoet. In de jaren negentig mocht ik een paar boeken publiceren bij Lannoo, de uitgever van Nouwen. En zo kreeg ik eens een boek van hem in handen dat mij niet terstond smaakte.
Toen stierf Henri Nouwen plotseling op 21 september 1996 – ik kom nu altijd langs het hotel in Hilversum waar hij toen logeerde, op weg als ik ben naar de radiostudio om het muziekprogramma ‘Echo van Eeuwigheid’ op te nemen – en denk dan aan hem: de gedreven man, op het punt staand naar Sint Petersburg te vliegen om met een televisieploeg Rembrandt’s schilderij van de verloren zoon nog eens in ogenschouw te nemen (hetwelk dus niet meer is geschied.)
Het boek ‘Eindelijk thuis. Gedachten bij Rembrandts “de terugkeer van de verloren zoon”‘ had ik als eerste druk – die is van 1991 – geschonken gekregen maar nooit gelezen. Tot nu toe – afgelopen september, wegens deze veertiende Henri Nouwen Lezing.
In ‘Eindelijk thuis’ vind ik de door mij destijds uitgeknipte rouwadvertenties terug samen met het tamelijk objectief geschreven levensverhaal van de hand van Frits Groeneveld in NRC Handelsblad van 24 september 1996 en het wellicht ietwat meer subjectief gekleurde ‘in memoriam’ in Trouw van een dag tevoren. Daar schrijft Pieter van der Ven: ‘Hij mediteert in een voortdurende wisselwerking tussen persoonlijke ervaringen van leven, geluk, crisis, twijfel, hoop en God. Wie bij zichzelf de toon voelde resoneren kon er om zo te zeggen geen genoeg van krijgen; wie dat niet gegeven was kon zich met al even veel recht ergeren aan het ikkerige, de eenvoud van het voorspelbare, de herhalingen ook in Nouwens werk.’
Dat ‘ikkerige’, door Van der Ven vastgesteld, – precies daarom heb ik eerder gesproken over de Aerdenhoutse en Heemsteedse hockeyspelers en hun vaders en moeders die ten minste op zondagochtend deels God door sport vervangen maar evengoed zoekers blijven. Helemaal begrijpelijk: Spel is weldra uit en bevredigt kort. God is bestendig en geeft vrede altijd.
Maar sportief als ik als liefhebber van spel zou willen zijn: Nouwen’s toon resoneert bij velen.
Zijn geschriften zijn in tal van talen overgezet en hij wordt verkocht als best-seller-auteur. Op reis in tal van landen en altijd in boekwinkels nakijkend wat wordt geboden – van Venetië tot Washington – ben ik zijn boeken tegengekomen. Zijn wijze van schrijven spreekt klaarblijkelijk velen aan. Hij moet iets vertolken dat aansluit bij de levensinstelling van velen. Zou daarmee misschien juist het ‘ikkerige’ te maken kunnen hebben? We zijn immers in het ik-tijdperk bij uitnemendheid. En die ‘ik’ is niet slechts het middelpunt van de aarde maar die ‘ik’ wil ook voortduren geëmotioneerd worden, vermaakt en geamuseerd. We leven van de beleving en daardoor veelal van de sensationalisering.
Een uur zonder emotie is een verloren uur.
Nouwen’s voorspreker in Nederland is de theoloog en predikant Jurjen Beumer, zijn spirituele biograaf. In diens in het jaar van Nouwen’s dood (1996) verschenen biografie ‘Onrustig zoeken naar God. De spiritualiteit van Henri Nouwen’ stelt hij vast dat de priester-schrijver een onrustige persoon is die de strijd levert (en ons dat als wijsheid voorhoudt) het leven uit handen te geven, wetend dat de eenmaal oud geworden mens de handen zal uit strekken en niet meer zelf zich zal omgorden maar omgord zal worden door een ander die hem brengt waarheen hij niet wil – naar Jesus’ les jegens Petrus in het Evangelie van Joannes (cf. 21,19).
Nouwen’s spiritualiteit noemt Beumer Bijbels, in het bijzonder Joanneïsch en in diens Blijde Boodschap vooral het hogepriesterlijke gebed (Jo 17) waarin de nauwe verbinding tussen de Vader en de Zoon wordt verwoord die de relatie tussen God en mens tot voorbeeld is en die de band tussen God en de schrijver persoonlijk uitdrukt.
Het boek ‘Eindelijk thuis’ heet in deze spirituele biografie Nouwen’s meest geslaagde poging van zijn wijze van omgaan met de Heilige Schrift. En dat eindelijk thuis komen laat zich dan mijns inziens niet alleen verbinden met de oude mens die hulpeloos de handen moet uitstrekken – door de dood heen bereiken we immers ons vaderhuis – maar ook met het onrustige hart dat eerst rust zal vinden in God, naar het gezegde van Augustinus.
Nouwen’s onderzoek naar de terugkeer van de verloren zoon, zoals uitgebeeld door Rembrandt, is in enen zelfonderzoek en aldus in het reine komen met de eigen vader en met het zijn van de oudste zoon in het eigen gezin. Nouwen weet zich de oudste zoon en leert vanuit die nadere bewustwording zichzelf ook als vader te zien.
Natuurlijk is de jongste – verloren en weergekeerde – zoon spannender. Augustinus heeft zichzelf zo begrepen en dat met hartstocht beschreven in zijn ‘Belijdenissen’, altijd te lezen en te herlezen zowel om het beleden dan wel opgebiechte verleden als om het belijden dan wel bekennen van God, tot Wie hij zich richt en Wiens wijsheid hij eniger mate leert kennen. Maar de meesten van ons – stellig die van vroegere generaties – zijn braaf en zelfs saai en zo meer vergelijkbaar met de oudste zoon uit Lucas’ parabel, met hem die boos werd na gehoord te hebben dat het feestgedruis in huis om zijn broer ging die in armoede was teruggekomen en door hun beider vader zo uitbundig werd onthaald.
Neen, meedoen aan de feestdis wilde hij niet, wel zijn vader streng toespreken (Lc 15,29-30 ): ‘Ik dien u nu al zo veel jaren en nooit heb ik uw geboden overtreden, maar mij hebt u nog nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuis gekomen, die uw vermogen met hoeren heeft verbrast, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.’
‘Voor mij persoonlijk is de mogelijke bekering van de oudste zoon van cruciaal belang’, bekent Nouwen. Behoort hij misschien volgens het Schriftwoord (Mt 6,5) tot de lieden die ‘graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen ‘, vraagt hij zich af. ‘Als ik denk aan al mijn schrijven en spreken over het gebed, aan alle bekendheid die ik geniet, moet ik me onwillekeurig afvragen of deze woorden niet voor mij zijn bedoeld.’ Is de brave zoon in het afstand nemen van zijn broer en daarmee van zijn vader niet evenzeer de verloren zoon als de weggelopen zoon?
Beiden zijn door de vader bemind. Beiden zijn geroepen naar hun vader terug te keren en zo te groeien naar eigen vaderschap. ‘Als jongste of oudste zoon ben ik erfgenaam van mijn barmhartige vader’, besluit Nouwen zijn gedachten bij het schilderij van Rembrandt. ‘Ik moet mijn eigen handen zegenend uitstrekken en vol erbarmen mijn kinderen ontvangen, ongeacht de mening die zij over mij hebben.’ En zo tilt Nouwen de vader-zoon-relatie in de parabel op naar de verbinding tussen God de Vader en God de Zoon: Worden als de hemelse Vader is het hart van Jesus’ boodschap. De bekering, waartoe Hij oproept, is ‘onze verknochtheid aan de wereld opgeven om van God te zijn.’
Bij de analyse van Rembrandt’s terugkeer van de verloren zoon en de overweging van de parabel van Lucas brengt Henri Nouwen zichzelf mede in het midden en troost en bemoedigt zo zijn lezers. Ik ontken dat niet en bevestig dat en wil gesticht zijn door het boek dat naar verluidt in 2011 hier te lande is uitgeroepen tot het beste spirituele boek (van het jaar, vermoed ik).
Heb ik het ervaren als een meditatief geschrift over bidden en verenigd worden met God? Ik heb het ervaren als een richtingwijzer een beter mens te kunnen worden – een godsdienstig boek dus inzake de christelijke moraal. Dergelijke boeken zijn nodig.
Hoe moeten wij leven? Wij zijn geroepen te leven naar het voorbeeld van de vader in de parabel die verwijst naar de Vader in de hemel. Hij is barmhartig, vergevend, mededogend, edelmoedig, soms verdrietig, meestal vreugdevol.
III
Vast staat dat in het huidige tijdperk de ‘ikken’ aanspreken. Die geschriften slaan aan die de ervaringen van de wereld betrekken bij het beoogde aan de man te brengen betoog. Pastoraal kan dat klaarblijkelijk niet anders als juist zijn. In de huidige ervaringswereld is menigeen meer dan ooit ervan overtuigd dat hij zelf goddelijk is. Hij is immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis (cf. Gn 1,27). Dit stemt hem tot dikke tevredenheid. Maar verwijdert de indringendheid van deze overtuiging de mens ten slotte niet van God Zelf?
De hedendaagse mens ontwaart God in zichzelf, in de ogen van de medemens, mogelijk ook in de natuur en in de kunst, maar kent hij nog de Heer als de volledig Andere, Die boven ons is, Die in de hemelen woont, Die ons vraagt de blik omhoog te heffen, Die de eeuwige Majesteit is, voor Wie wij in ontzag huiveren – niet omdat Hij streng en oordelend of veroordelend zou zijn, maar omdat Hij huiveringwekkend is in Zijn ons overrompelende eigenheid, verte, grootheid. Die gewaarwording ontberen wij heden. De gewaarwording van de Heilige, zelfs (minder persoonlijk en meer vaag) van het heilige. Laat niet – algemeen gesproken – de mens van heden zich de zin voor het heilige ontnemen?
Is godsdienst – de dienst aan God – niet al te huiselijk en te banaal geworden? Zo gewoon dat het benul ervan in gewoonheid teloor gaat? Zijn de christenen in onze streken niet zo verburgerlijkt dat het besef van de oneindige God te gemakkelijk is teruggebracht tot de burgervader zonder tanden en daadkracht? En is godsdienst niet zo prettig betrekkelijk geworden – eventueel uitwisselbaar met een andere godsdienst – dat het eigenlijk meer een te begrijpen leefregel betreft dan een fascinerend ideaal waardoor wij worden gegrepen?
Zouden onze kerkgebouwen ook niet daarom zo leeg gelopen kunnen zijn en gereed voor de verkoop of de sloop?
Vooraleer nog eens op Nouwen terug te komen om mijn gedachtengang in dezen te vervolgen , ontboezem ik mij nog eens ten aanzien van de christenheid in het huidige Nederland. Daartoe haal ik twee voorbeelden aan om de onwetendheid inzake godsdienst, die even groot is als de belangstelling klein, onder de aandacht te brengen – beide uit mijn eigen tongval van het christendom, de katholieke Kerk die hier te lande klaarblijkelijk afgedaan behoort te zijn – even achterhaald als achterlijk. Het gaat mij om de ontneming van het geloof als serieuse belijdenis in het openbare leven, waarvoor achting in verdraagzaamheid ontbreekt en die dus van elke werving moet afhouden en louter ontwerving kan inhouden nog eens tot het christelijke geloof te willen toetreden. De verburgerlijking van de Kerk zelf heeft daaraan schuld, als ook het decennia lang twisten over vermeend progressief en vermeend conservatief, terwijl het wereldwijd het best toeven blijft in het midden van de Kerk.
En dan de schandalen van de jongste tijd – die hebben de Kerk toch wel de doodklap gegeven.
Ik doel op twee dit jaar verschenen ego-documenten die ik beide met waardering in enen heb uitgelezen. Het ene een roman, het andere een familiekroniek. In de tijd sluiten ze min of meer op elkaar aan: Waar de kroniek eindigt vangt de roman aan.
In zijn boek ‘En het regende brood’ doet Stefan van Dierendonck verslag van zijn jeugd in Brabant vanaf de jaren zeventig, zijn aanvankelijke vroomheid, zijn roeping tot het priesterschap, de soms broeierige seminarietijd, de eenzaamheid als jong priester in een weerbarstige parochie, zijn sturing naar Rome voor studie. Hij blijkt te lijden aan gluten-allergie.Tot zover is de roman nagenoeg autobiografisch. De schrijver verlaat het ambt en verliest het geloof maar de romanfiguur rijdt zich dood na een onwaarschijnlijk, bespottelijk tafereel in Sint Pieter.
Al vóór het lezen van het boek had ik mij afgevraagd, of de ambtsverlating de glutenkwestie als oorzaak heeft dan wel of die de verontschuldiging daarvoor is. De roman laat daarover geen misverstand: ‘Dus de Kerk wil dat ik in elke Mis brood eet waar ik ziek van word, zo ziek dat ik er uiteindelijk aan kan sterven? Ze vraagt mij om een langzame zelfmoord die wel tien jaar kan duren. Ik weet echt niet of ik dat wel op kan brengen.’ En zo gebeurde het dat plotseling ‘geen spoor meer van zijn hemelse roeping’ nog te vinden was: ‘De priester was veranderd in een mens van vlees en bloed, de gelovige in een man die zijn eigen weg bepaalde.’
De schrijver verschijnt op de televisie en de verwarring is groot. Die maffe Kerk toch, de wreedheid en de onbegrijpelijkheid tout court. Feit evenwel is dat wie zelfs helemaal geen gluten-arme hosties kan verdragen, altijd nog gedispenseerd kan worden door de daartoe bevoegde Vaticaanse instantie in Rome – de congregatie voor de sacramenten en de goddelijke eredienst.
Is zo’n ontsteltenis nog een voorval, dat is niet het geval met het boek van de historicus Jos Palm dat geschiedschrijving bedoelt te geven met als titel ‘Moederkerk. De ondergang van Rooms Nederland’.
Evenals de roman van Stephan van Dierendonck verdient deze familiekroniek de herdrukken die het krijgt. Weemoedig, vrolijk, ironisch, met humor, met nabijheid en afstand – kortom een prettig boek. Maar dat is hier niet mijn punt van aandacht. Dat betreft hier de dooreenmenging van een familiegeschiedenis, die aanvangt rond 1919 met de jeugd van Palm’s moeder in Arnhem, enerzijds en anderzijds de gehele geschiedenis van de katholieke Kerk in Nederland met de verandering daarin na het Tweede Vaticaans Concilie, toen eerst een tweede beeldenstorm uitbrak en tegelijk het kamerbrede tapijt in de bedehuizen werd binnengerold – het gezin Palm als exemplum, waarvan de moeder was opgevoed met de zekerheid dat ‘de huiskamer’ toen ‘in het ideale geval min of meer een afdeling van Rome’ was. Zelf babyboomer constateer ik dat Palm de geschiedenis enigszins karikaturiseert en soms gebruiken van vóór de Tweede Wereldoorlog zonder meer laat doorlopen in zijn en mijn eigen jeugdjaren daarna. Dat moge dan in zijn dorp nabij de grote stad Arnhem zo zijn geweest, maar in mijn parochiekerk toen in de niet minder grote stad Amsterdam was de situatie anders. Priesters deden er wel toe, maar hun invloed bleef beperkt, aangezien mensen als mijn ouders weet hadden van hun eigen geweten.
Aandoenlijk niettemin blijft zijn verhaal. De ouders die zich ten slotte een onderkomen vinden in de Utrechter Willibrordkerk van de Assumptionist Winand Kotte en de kinderen die het rode Nijmegen opzoeken, waar evenals in Tilburg – zoals destijds in Parijs na de Franse Revolutie – de heiligenbeelden uit de nissen waren gehaald, dit keer dan niet om de rede te vieren, maar ten gunste van Marx, Engels en Lenin.
Het debat daar, in de voorheen katholieke universiteitssteden, was ‘het voertuig van de zelfontplooiing en zelfemancipatie’, zoals het kerkgebouw was veranderd van bidhuis in praathuis. ‘O tempora, o mores.’
Met mededogen tekent Palm ten slotte – en dat bevalt mij, ik ontveins zulks niet – wat die kerkelijke revolutie in onze streken heeft teweeg gebracht bij de generatie van zijn ouders, maar naar mijn oordeel ook in de eigen generatie en van die daarna. Ik laat hem zelf aan het woord: ‘Het hele bouwwerk dat het katholicisme had opgetrokken om de gelovige te behoeden, was gesloopt, maar op zo’n ijverige wijze dat menigeen meende met lege handen te staan. Nooit was het in de kerk ook ingewikkelder geweest dan in deze tijd van vereenvoudiging. De hele ideologie van de denkende elite was te abstract en te moeilijk voor de doorsneeparochiaan. […] Wat de merendeels vooruitstrevende priesters aan de kerk wonnen, was wat de doorsneegelovigen eraan verloren, namelijk vertrouwdheid. […] De priester scheen geen priester meer te mogen zijn, het ritueel – of het nu de wijding van een huis, auto of fiets betrof, of de biecht – scheen geen ritueel meer te mogen zijn. […] Wie vroeger een kerk binnenstapte, werd opgenomen in een wolk van licht; voortaan moest iedere gelovige zijn eigen lantaarnopsteker worden.’
Palm’s constatering wordt bevestigd door een eveneens in dit jaar verschenen proefschrift van de Universiteit van Amsterdam, geschreven door de niet gelovige historicus Maarten van den Bos onder de titel ‘Verlangen naar vernieuwing. Nederlands katholicisme 1953-2003’. Het waren de bisschoppen en de priesters van de locale, dus Nederlandse Kerk – samen met de theologen en andere intellectuelen – die ervan overtuigd waren dat onverkort afscheid genomen moest worden van het eigen religieuse verleden. Die binnenkerkelijke ontwikkelingen hebben geleid tot de ontkerkelijking. ‘Niet omdat het geloof zodanig werd aangepast dat de gewone gelovigen na ampele overweging besloten dat het onzin was, maar omdat de kern van het geloofsleven, gelegen in een dagelijks herhalen van rituelen en praktijken binnen de eigen wereld, als achterhaald werd bestempeld.
‘Bittere ironie van de leegloop’ kopt het Nederlands Dagblad 5 mei (2012) boven een interview met de promovendus die drie dagen later doctor zou worden: ‘Niet de behoudzucht van Rome, maar de vernieuwingen zélf in katholiek Nederland leidden tot leegloop.’
Het was toen in de late jaren zestig en de jaren zeventig dat het mysterie uit de Kerk eens te meer werd verwijderd en de zin voor het heilige verdween. Al hetgeen daarnaar verwees, werd met de vuilnisman meegegeven. De vermeend bevrijde katholiek zou voortaan in geestelijke armoede groeien die aanvankelijk onopgemerkt bleef door het in gelijke tred toenemen van de materiële rijkdom. Hij ging dus ertoe over de tempel van de Mammon te bezoeken en de kerk van de Christus te mijden.
De zin voor het heilige en meer nog voor de Heilige wordt heden ontbeerd.
Zoals evenwel de wal van de maakbare maatschappij wordt gekeerd door het schip van de werkelijkheid, zo op den duur ook de al te menselijk geworden Kerk door het weerkerende benul van de kleinheid van de mens, aan wie dienstbaarheid past en deemoed en aanhankelijkheid jegens de eeuwige God, in Wie hij geborgen kan zijn, zo hij wil en weer bescheidenheid leert.
IV
Stilte is ruimte waarin geheimen tussen God en mensen kunnen oplichten. Aan het slot van zijn spirituele biografie over Nouwen haalt Beumer enige zinnen aan uit diens boek ‘Met open handen.De weg naar onszelf, de ander en God’ uit 1988: ‘Het woord van God voert ons de stilte binnen en stilte maakt aandachtig voor Gods woord. […] De stilte opent in ons de ruimte waarin het woord kan worden gehoord. […] Het woord brengt ons bij de stilte en de stilte bij het woord. Het woord wordt in stilte geboren en stilte is de diepste weerklank van het woord.’
Aanknopingspunt het heilige te herontdekken en zo ons dieper te binden aan de Heilige Die alleen heilig is.
Elke christelijke spiritualiteit is ten minste Bijbels en elk bidden vangt eerst recht aan in stilte. Niet het schietgebed, dat velen bezigen, maar wel meditatie die kan voeren tot contemplatie.
Zijn wij niet vergeten dat het sacrale tegenover het profane staat, het uitzonderlijke tegenover het alledaagse? Het zijn eigen gebieden, van elkaar gescheiden. Vermenging van beide profaniseert het sacrale en doet het ondergaan. En met het sacrale gaat het heilige teloor. Die scheiding zou moeten worden hersteld om het sacrale opnieuw gewaar te kunnen worden.
Op het terrein van het sacrale vermoeden we iets van het transcendente, het bovenwereldlijke, het niet tijdelijke dat voorbijgaat maar het eeuwige en hetgeen voorbij eeuwigheid reikt.
‘Wie is het, die zo hoog gezeten/ zo diep in ’t grondeloze licht,/ van tijd noch eeuwigheid gemeten,/ noch ronden, zonder tegenwicht,/ bij zich bestaat, geen steun van buiten/ ontleent maar op zich zelve rust […]’
Zo de zang van de rei der engelen in ‘Lucifer’, het treurspel van Joost van den Vondel, die beantwoord wordt door de tegenzang:
‘Dat’s God. Oneindig eeuwig Wezen/ van alle ding dat wezen heeft,/ vergeef het ons; o nooit volprezen/ van al wat leeft, of niet en leeft,/ nooit uitgesproken, noch te spreken,/ vergeef het ons, en scheldt ons kwijt,/ dat geen verbeelding, tong, noch teken/ u melden kan. Gij waart, gij zijt,/ Gij blijft de zelve […]’
Ten slotte de toezang door beide engelenkoren:
‘Heilig, heilig, nog eens heilig,/ driemaal heilig: eer zij God./ Buiten God is ’t nergens veilig/ heilig is het hoog gebod./ Zijn geheimenis zij bondig./ Men aanbidde zijn bevel,/ dat men overal verkondig:/ Al wat God behaagt is wel.’
In de tegenzang klinkt twee keer ‘vergeef het ons’; het verwoordt de huiverende aanbidding door de engelen. In de toezang beluisteren we het driewerf heilig bij Jesaja (6,3), door Joannes in de Apokalyps (4,8) hernomen: We bevinden ons dan in de hemel, zoals bij Vondel, en daar is het ook wel eens stil – soms wel een half uur (cf. Apk 8,1).
In hedendaagse vaderlandse kerken is zulks eerder uitzondering dan regel. Daar staat sedert de jongste beeldenstorm niet alleen het mysterie van het geloof buiten de poort maar is ook de stilte uitgebannen. Het Godshuis echter is geen mensenhuis. Het is een sacrale ruimte, geen profane. En liturgie moge een ritueel zijn, maar elk ritueel is nog geen liturgie. Sacrale rituelen zijn andere dan profane rituelen. De scheiding tussen beide dient terug te keren. Alleen zo kan het sacrale het profane weer echt bevruchten.
Het drie maal ‘heilig’ is in elke viering van Eucharistie niettemin gehandhaafd – door de eeuwen heen telkens weer getoonzet om aan Gods lofprijzing uiting te geven. Muziek immers gaat woorden te boven om het eigenlijk niet uitspreekbare naderbij te komen.
De godsdienstgeleerde Rudolf Otto noemt in zijn klassieke boek Das Heilige (Het Heilige) van 1917, waarvan dit jaar de vierde druk in het Nederlands is verschenen, Vondel’s aangehaalde rei een ‘numineuse hymne’. Want het heilige is numineus (wenkend). Het is ‘mysterium tremendum et fascinans’ — mysterie, zowel overweldigend als onweerstaanbaar. Het loflied sanctus sanctus sanctus geeft daaraan gestalte, zoals ook het Gloria met de belijdenis Tu solus sanctus (Gij alleen zijt heilig). Hierover schrijft Otto: Het is ‘een schuwe lofprijzing, die niet alleen overmacht stamelend erkent, maar tegelijk iets boven alle begrippen uit waardevols wil erkennen en roemen. […] Het is iets dat tegelijk als zodanig het hoogste recht heeft tot het stellen van de hoogste aanspraak op nederige hulde, die geprezen wordt omdat het in absolute zin prijzenswaardig is.’
In Joannes’ Apokalyps (4,13 wordt de onzegbare waardering in vergelijkbare zin verwoord: ‘Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen.’ Zo is de kern van religie, aldus Otto, innerlijke verplichting. Het is gehoorzaamheid en dienstbaarheid uit bescheiden erkenning voor de heiligste waarde.
‘Niemand is heilig zoals de Heer.’ (1 Sam 2,2) Heilig is de Heer, onze God.’ (Ps 99,9)
Het heilige is een eigen grondbegrip Het staat dus op zich zelf.
Pas dan komt de ethiek aan de orde: Godsdienst valt niet samen met ethiek, maar is meer. De aanraking door God is het eerste en die aanraking vervolgens houdt in Zijn geboden te onderhouden en Zijn wil te doen: ‘Weest gij heilig; want Ik ben heilig.’ (Lv 11,44) God beminnen is het eerste gebod. Elkaar beminnen is het tweede gebod. ‘Geen ander gebod is voornamer dan deze twee.’ (Mc 12,31) Samen betekenen zij het kruis met de beide balken. Nochtans blijft het eerste gebod het eerste en het tweede het tweede. Dit is de volgorde. De horizontale balk wordt mogelijk door de verticale en niet andersom. Geven we ons daarvan in deze tijd in dit land voldoende rekenschap?
.
‘Terwijl een diepe stilte de wereld omsloot en de nacht reeds half verstreken was, kwam Uw almachtige Woord, Heer, uit de hemel en daalde van Zijn koningstroon af’ (W 18,14-15).
Vanavond met de Vespers is de Advent begonnen en daarmee het nieuwe liturgische jaar. We verwachten het opnieuw geboren worden van de Heilige in ons innerlijk Die als Woord in de stilte van de Kerstnacht mens wordt. Wij zien naar Hem in vreugde uit en brengen alvast onze stal op orde om Hem een waardige ontvangst te bereiden.