Antoine Bodar

Zingen zuivert de ziel.

header-05.jpg
 

Dierbaar Europa – afscheidscollege

16 December 2011 |  Universiteit van Tilburg  |  Lezingen

I
Laten we een ogenblik terugkeren naar het einde van de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen Europa in optimistische opbouw was en de landen over en weer vertrouwen zo niet poogden te herstellen dan toch te versterken. De vaders van Europa toendertijd spraken over de ziel van Europa. Zo Robert Schuman in 1958 tegenover het eerste Europese parlement: ‘Alle landen van Europa zijn doordrongen van de christelijke cultuur. Zij is de ziel van Europa die men het moet teruggeven.’
En elders: ‘Deze gezamenlijkheid moet en mag niet een economische en technische aangelegenheid blijven. Zij behoeft een ziel.’ Alcide de Gasperi voegt daaraan toe: ‘Hoe moet men een Europa ontwerpen zonder rekening te houden met het christendom en geen acht te slaan op zijn broederlijke, sociale en humanitaire leer?’ En Konrad Adenauer herinnert zich naderhand: ‘Als doel van onze buitenlandse politiek beschouwden wij de vereniging van Europa, omdat die de enige mogelijkheid is onze westerse en christelijke cultuur tegen de totalitaire razernij ingang te doen vinden en te bewaren.’

In maart 2007 zijn de Franse president Jacques Chirac en de Belgische eerste minister Guy Verhofstadt in gesprek met de Poolse president Lech Kaczinsky. Daarbij merkt deze op dat de Europese eenwording het werk is van katholieke politici. Chirac en Verhofstadt merken snedig op dat Paul-Henri Spaak toch een echte vrijdenker is. Beide politici waren echter vergeten dat Spaak in 1961 heeft geschreven: ‘Wanneer wij spreken over de vereniging van Europa, moeten wij eerst redden wat ik “de Europese beschaving” durf te noemen – de morele boodschap van Europa waarin ik diepgaand geloof. Die moeten wij redden, nog voor we de Europese economie verenigen, de sociale vooruitgang ontwikkelen, de politieke, militaire en diplomatieke rol van Europa in de wereld vrijwaren. Die beschaving is – of wij dat nu willen of niet – de christelijke beschaving.’ Die heeft aan de wereld een bijzonder begrip van de mens gegeven, gebaseerd op het respect voor de menselijke persoon. ‘Al de rest vloeit daaruit voort.’ Aldus Spaak.
Europa te verenigen op religieus-culturele grondslag is terstond te idealistisch gebleken. Lukt de eenwording niet vanuit de ziel, dan vanuit het lijf of beter de buik: Jean Monnet verklaart evenwel in 1952 bij haar oprichting dat de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) niet zo maar een vereniging van producenten is. Neen, zij is het begin van Europa. Realistischer immers is het uit te gaan van de economie en mettertijd zal de politiek volgen en al het andere en zo ook de cultuur en dus tevens de godsdienst.
In het begin van de jaren negentig, wanneer de economische eenwording groeit en de politieke eenwording aan het vorderen lijkt, komt opnieuw de roep om de ziel van Europa op de lippen van vooraanstaande politici uit Europa. Om werkelijk samen te geraken, ontbreekt het Europa aan een ziel. Jacques Delors, toendertijd president van de Europese Commissie, zegt in 1992 in een rede, gehouden in de kathedraal van Straatsburg (sic): ‘Men moet Europa een ziel geven. […] Als dat ons in de volgende tien jaren niet gelukt – een spiritualiteit, een betekenis, dan zullen wij de partij Europa hebben verloren.’ Welke ziel? De christelijke ziel. En Romano Prodi in 1999, toen ook president van de Europese Commissie: ‘Europa kan geen gestalte krijgen, indien het zijn herinnering vergeet. Tot die herinnering behoort het blijvende spoor van het christendom. In de verschillende culturen van de Europese naties, in de kunsten, in de letteren, in de hermeneutiek van het denken is de oorsprong christelijk. En die voedt zowel gelovigen als ongelovigen.’
De Pisanese hoogleraar wijsbegeerte èn in enen de liberale politicus Marcello Pero – eertijds atheist, heden niet langer atheist maar wel ‘non credente’ (niet gelovig) – noemt in zijn in 2008 verschenen boek Perché dobbiamo dirci Cristiani (Waarom wij ons christenen moeten noemen) het ontbreken van de Europese ziel niet minder dan als het mankeren aan Europese identiteit. Als die identiteit blijft ontbreken, kan het niet tot een Europese eenheid komen. Zo zijn stelling. Niets immers van een identiteit of ziel blijkt uit het Verdrag van Lissabon, getekend in december 2007, dat in de bewoording van Valéry Giscard d’Estaing – indertijd voorzitter van de ‘Conventie over de Toekomst van Europa’ – slechts cosmetisch verschilt van de in oktober 2004 te Rome ondertekende Europese zo genaamde ‘grondwet’. Want hoe vrijblijvend is een identiteit wanneer alleen sprake is van inspiraties door ‘culturele, religieuse en humanistische tradities van Europa’, zoals daar genoemd in de prae-ambule? Hoe dan burgers in de afzonderlijke staten uit te leggen minder nationalistisch te worden en meer Europees? Wat is dan de innerlijke of werkelijke aantrekkingskracht van Europa?
De waarden, waarop de Europese Unie zich heeft gegrondvest, zijn weliswaar de achting voor de menselijke waardigheid, gelijkheid, solidariteit en dergelijke, maar zijn die typisch Europees of veeleer bedoeld voor de gehele wereld? Die waarden zijn universeel. Het Europese handvest geeft dus de Europeanen geen eigen identiteit. Of ja toch, juist deze waarden zijn kenmerkend voor de Europeanen, omdat zij uit een traditie zijn afgeleid die bijzonder is voor Europa. Maar zo luidt niet de formulering in het handvest. Die is alleen abstract – getekend naar het wereldomvattende ideaal. Zo’n abstractie verleidt niet tot een wij-gevoel als Europeaan, maar beperkt zich tot het wij-gevoel als Nederlander of Italiaan, Duitser of Fransman. Het wij-gevoel als Europeaan wordt alleen gevoed, wanneer wij onze gezamenlijke geschiedenis overwegen, onze gezamenlijke traditie. Is die traditie dan niet in hoofdzaak christelijk? Maar daarvan willen we niets meer weten. En heeft die geschiedenis niet oorlogen en andere ellende met zich meegebracht tot de spookgestalten van communisme en nazisme toe? Stellig. Moeten we soms trots zijn op ons koloniale verleden? Neen, maar de koloniseringen hebben niet louter rampspoed gebracht. Juist in de gezamenlijke traditie van Europa heeft ons continent de rest van de wereld niet alleen slechts maar ook veel goeds geschonken. De tijd is terecht voorbij dat Europa zich als het centrum van de wereld beschouwt. En dat is het ook niet meer. Maar wij behoeven ons als Europa ook niet weg te gooien – in de omkering van eigen overschatting naar eigen onderschatting.
II
Waarom is de Europese idee zo leeg dan wel zo vol dat zij slechts universeel ideaal is en aldus abstract? Om het meest historisch eigene aan Europa te kunnen verontachtzamen en slechts in opperste vaagheid te benoemen. Om met zijn geschiedenis in enen zijn traditie uit te sluiten en af te sluiten en zo in verstikking op te sluiten om des te liever af te sterven als niet ter zake.
De christelijke wortels van Europa blijven ongenoemd. En dat is paus Benedictus in navolging van paus Joannes Paulus een doorn in beide ogen (en niet minder degene die heden middag tot u het woord mag richten). Europa is het thema dat telkens al in zijn geschriften terugkeert. Zo in 2004 in het met Marcello Pera gezamenlijk geschreven boek Senza Radici (Zonder Wortels). Zouden de wortels onbenoemd moeten blijven om de gevoelens van niet-christenen te ontzien? Maar het gaat om een historisch gegeven. Moeten soms naast de ongelovigen met name de moslims worden ontzien? Moslims voelen zich veeleer beledigd door het cynisme van een secularistische cultuur die het eigen grondbeginsel verloochent. Of de joden? Hun wortels reiken voorbij aan Europa tot op de berg Sinaï. Niet het noemen van God beledigt anders-gelovigen, hen beledigt de poging de menselijke gemeenschap helemaal zonder God te construeren. Zo toen kardinaal Ratzinger.
Wat is de kwestie? De onderlinge verbinding tussen de nationale staten behoort eerder te berusten op de gezamenlijke instemming met bepaalde zaken – door het politieke debat verkregen – dan op traditionele, aan de politiek voorafgaande (vorpolitische) banden. Zo behoort het ook te gaan in de afzonderlijke landen: ‘Was eine Nation von Staatsbürgern – im Unterschied zur Volksnation – einigt, ist kein vorgefundenes Substrat, sondern ein intersubjektiv geteilter Kontext möglicher Verständigung.’ (Wat een natie van staatsburgers – ter onderscheiding van een volksnatie – verenigt, is niet een aangetroffen ondergrond, maar een onderling gedeeld verband van mogelijke overeenkomst.) Zo de politiek filosoof Jürgen Habermas in 1996 in zijn opstel Braucht Europa eine Verfassung? (Heeft Europa een grondwet nodig?) En in dialoog met Joseph Ratzinger in 2005 – Dialektik der Säkularisierung. Űber Vernunft und Religion (Dialektiek van de Secularisering. Over Verstand en Religie) – spreekt hij over ‘eine nichtreligiöse und nachmetaphysische Rechtfertigung der normativen Grundlagen des demokratischen Verfassungsstaates’: De normatieve grondbeginselen van de demokratische, constitutionele staat worden niet religieus en niet metafysisch gerechtvaardigd.
Wat betekent dit alles? Politieke besluiten binnen een natie en tussen de naties dienen alleen het gevolg te zijn van louter verstandelijke debatten onder weglating van de bestaande volkskundige, taalkundige, godsdienstige en andere dergelijke verbindingen – onder uitbanning dus van al hetgeen een land organisch een natie doet zijn en zo te vergelijken met de mens die alleen om zijn verstandelijk vermogen het zou verdienen mens te heten.
Hier wreekt zich de doordrijving van de scheiding van Kerk en Staat die op zich juist is. Habermas beperkt zich in denken tot louter positivisme en vernauwt mensen tot actoren die geen personen meer zijn. Is niet de menselijke persoon als waardig individu alvorens politiek te bedrijven een ethisch of ethisch-religieus of in Europa zelfs een veelal van oorsprong christelijk of door het christendom gevormd dan wel beïnvloed wezen? Overigens houdt Habermas zich sinds het einde van de jaren negentig bezig met religieuse onderwerpen – zoals de invloed op het westerse denken van de zijde van de joodse gerechtigheid en het christelijke liefdesgebod en in het debat met kardinaal Ratzinger onderlijnt hij dat de neutrale rechtsstaat niet vereenzelvigd kan worden met het secularistische wereldbeeld. Geseculariseerde burgers kunnen dus gelovige medeburgers niet het recht betwisten in religieuse taal bijdragen te leveren aan het openbare debat. Aldus Habermas. En daarvan acte.
De scheiding van Kerk en Staat – het moet tegenwoordig telkens opnieuw worden gezegd – beduidt geenszins dat een christen of een moslim in het publieke debat niet evenzeer voor zijn geloofsovertuiging zou kunnen uitkomen als een liberaal of libertijn of socialist, een agnost of atheist. Godsdienst is niet alleen een particuliere aangelegenheid en niet minder openbaar dan tentoonstellingen, muziekuitvoeringen, voetbalwedstrijden en vakbondsvergaderingen.
Maar keren we terug naar de uitsluiting van al het vorpolitische – geschiedenis en traditie – uit het Verdag van Lissabon dat geen Europese grondwet mag heten. Laten we even stilstaan bij het bijna dagelijks leven.
Merken wij niet juist in de jongste tijd hoe onderscheiden denkwijzen binnen de Europese Unie kunnen zijn? Het verschil in mentaliteit bij voorbeeld tussen Duitsland en Griekenland, tussen Nederland en België, tussen Brabanders en Limburgers enerzijds en beterweters boven de Moerdijk anderzijds. Met betrekking tot de politicus Silvio Berlusconi, over wiens gedrag de publieke opwinding hier te lande lange tijd vele keren groter is geweest dan in diens eigen Italië. En de-klaar-met-leven-discussie hier die tot verbijstering leidt onder de meesttijds het leven genietende Italianen daar.
Door binnen het gezamenlijke Europa zich niet louter te beperken tot de politieke en politiek correcte redenering van het ogenblik maar zich tevens – en van meetaf aan – zich rekenschap te geven van gezamenlijk en afzonderlijk gegroeide geschiedenis en traditie zou menig misverstand internationaal nu al voorkomen hebben kunnen worden.
Het is met het handvest, zoals ten slotte ondertekend in Lissabon, als met het huis op zand gebouwd. Regent het te veel en waait het te hard, het Europese huis zakt in en wordt weggespoeld. Moedwillig zijn de fundamenten van het Europese huis verwaarloosd, dan wel niet verder gelegd, tenzij op het drijfzand van de bank en de bevrediging van de buik.
Tot de gemeenschappelijke munt van Europa is in 1992 in Maastricht besloten. In 2002, tien jaar nadien, is zij ingevoerd. De symbolische werking daarvan voor het ene Europa is als gevolg daarvan niet uitgebleven. Dat moet gezegd. Onze banken zijn zeker erdoor gespekt, zij het later soms van onvoorzichtige hebzucht omgevallen, en onze buiken zijn alsnog blijvend verdikt met obesitas als bijverschijnsel, waarvan de weerslag niet zal uitblijven – noch lichamelijk noch geestelijk.
Onderwijl vieren we in weerwil van tegenslag – die alles van doen heeft met verschillende mentaliteiten – toch het tweede lustrum van de euro, op Nieuwjaarsdag aanstaande.
III
De Pools-Britse filosoof Leszek Kolakowski stelt zich in 2000 de vraag of Europa tot stand zou kunnen komen, om meteen te constateren dat economen en ondernemers inzake de gemeenschappelijke munt onderscheiden meningen hebben en op hun eerdere diagnoses gewoon durven terugkomen: ‘We hebben geen deskundigen, op wie we zonder aarzeling kunnen vertrouwen. Deze omstandigheid is netelig. De crisis rond de gemeenschappelijke munt zou tot een crisis in geheel Europa moeten leiden – in al zijn opzichten.’ De crisis toen is bezworen, zoals die ook nu, in 2011, voorshands beperkt blijft. Is niet de Britse rol altijd van nature halfslachtig als het eiland dat wel Europees is maar toch ook al (Noord-)Amerikaans of, vriendelijker gezegd, brug daarheen?
Is een Europese identiteit mogelijk naast of boven de nationale, vraagt Kolakowski zich dan af. De werkelijkheid van een Europese cultuur bestaat, concludeert hij, en het christendom is daarvan de kern – althans in de zin dat ondanks alle ellende het christelijke geloof drager is gebleken van grote intellectuele, artistieke en morele successen. Het verenigde Europa is mogelijk, maar de markt alleen zal de ene gemeenschap geen gestalte kunnen geven. Het geestelijke gemeengoed van Europa zou bestudeerd moeten worden en de kennis daaromtrent verspreid om zo het grotendeels verborgen Europese fundament te herontdekken.
Hoe de Europese cultuur, waarvan het christendom de ziel is, als fundament van ons continent in het heden op te vatten? Ruim en breed – met wijd open oog voor de historische ontwikkelingen.
Tegenwoordig wordt dikwijls gesproken van de joods-christelijke cultuur van Europa – nog al eens om het vreemde van de islam te benadrukken. Van ‘joods-christelijk’, waar het de Europese cultuur aangaat, is feitelijk pas sprake sinds een zestigtal jaren. Voordien heet de cultuur alleen christelijk. De joden waren de verblinden. Zij hadden Christus niet als de Verlosser erkend en dat bleef hun altijd aangerekend totdat de christenen eindelijk inzagen dat het hun niet paste de joden de christelijke maat te nemen. En de moslims? Ook die behoren oudsher tot de cultuur van Europa. Zij maakten 780 jaren deel uit van het Iberisch schiereiland tot hun verdrijving – samen met de joden – in de vijftiende eeuw, zij verkeerden op Sicilië, terwijl zij als inwoners van het Ottomaanse Rijk vijfhonderd jaar verbleven op de Balkan – tot 1878.
Het jodendom en de islam behoren tot de cultuur van het oude Europa, zoals ook de beide geestelijke stromingen die in Noord-Wes-Europa in achting zijn gebleven – het humanisme en de verlichting. Nochtans zou het passen aan de hedendaagse humanisten in het geheugen terug te brengen dat het humanisme ten tijde van de Renaissance christelijk humanisme is – de vereniging van het beste uit de Oudheid met de schoonheid van het christelijke geloof. Geschriften van lieden als Marsilio Ficino, Pico della Mirandola, Desiderius Erasmus en Thomas More geven daarvan blijk. Humanisten van nu zouden zich mogen herinneren dat zij met de christenen de menselijke waardigheid als streven delen, als gevolg waarvan zich afzetten tegen het christendom niet nodig is, waarvan niettemin het Humanistisch Verbond in Nederland nog steeds blijk geeft.
Ook de verlichting weet zich schatplichtig aan het christendom. Zij heeft zich weliswaar bevrijd van de bevoogding door de Kerk en het verstand als enig leider op het schild geheven, hoewel voordien en nog altijd ook het christelijke geloof het verstand zoekt, zoals in de Middeleeuwen theologen als Anselmus van Canterbury en Thomas van Aquino aantonen en tegenwoordig de encycliek Fides et Ratio (Geloof en Verstand) van Joannes Paulus II in 1998 en de even beruchte als beroemde Regensbuger rede van Benedictus XVI in 2006 bewijzen. De verlichting heeft het vooruitgangsgeloof van het christendom geseculariseerd en het doel van de eeuwigheid naar de tijdelijkheid verlegd. Met de leiding van het verstand zou de wereld steeds verder worden verbeterd totdat een paradijselijke toestand zou intreden als blijvend heden. En wat beduidt die pure verstandelijkheid inzake de moraal? Die moet zo zijn, als zou God niet bestaan – etsi Deus non daretur (naar het gezegde van Hugo de Groot). Het is ten slotte de Kategorische Imperativ van Immanuel Kant die in dat verlichtingsdenken als redding van de moraal heeft kunnen dienst doen.
Hoe staat het in de opening van de eenentwintigste eeuw met die intellectuele vrucht van vooral de achttiende eeuw? De vooruitgang van exacte wetenschappen, medicijnen en techniek schrijdt voort. En die van de beschaving? Die gaat her en der vooruit maar in hoofdzaak slechts voort en soms achteruit. En de wijsheid? Die kenmerkt zich te zeer door verlangen naar hetgeen niet vluchtig is maar blijft. De jeugd heeft de toekomst maar de ouderdom de wijsheid. Luisteren is verdrongen door handelen, terwijl zij evenzeer samen horen als jeugd en ouderdom om te kunnen samenleven in een maatschappij. En de moraal? Die is een verstandelijke overeenkomst geworden – telkens aan te passen al naar gelang het demokratische besluit uitvalt. Is niet de tijd aangebroken – zo Joseph kardinaal Ratzinger in een toespraak te Subiaco enige dagen vóór zijn keuze tot paus in 2005 – dat we het adagium van Grotius omdraaien, althans ten behoeve van de ongelovigen? Laten we ons zo gedragen, veluti si Deus daretur (alsof God zou bestaan), zoals Blaise Pascal al heeft aangeraden. En hoe staat het met de vrijheid? Laat niemand het wagen mij in mijn eigen vrijheid te beperken. Die is grenzeloos.
IV
Verlichters van toendertijd konden evengoed gelovig zijn, al gaven vooraanstaanden zoals Herder en Goethe en Hamann de voorkeur aan theisme of pantheisme of panentheisme. En opmerkelijk blijft dat een ongelovige als Voltaire maar niet kon begrijpen waarom christenen zo eigenaardig met joden omgingen, aan wie zij toch zijns inziens geheel hun geloof hadden te danken. Met andere woorden: Het gesprek tussen christendom en verlichting was toen gewoon mogelijk en gewone uiting van beschaving. En nu?
In opiniërende kringen van het vaderland is de toon niet meer geseculariseerd. Die is secularistisch geworden: Het is dwaas om niet te zeggen achterlijk dat godsdienst nog invloed zou hebben op de maatschappij. Godsdienst als het oude opium van het volk van Marx dient slechts tot troost van de dommen. Secularisme bespot en belastert godsdienst. Wat is geloof meer dan bijgeloof? Iets als sprookjes of magie of astrologie. Iets voor kinderen en minder bedeelden – minder verstandelijk bedeelden.
Marcello Pera wijst in zijn eerder genoemde boek Perché dobbiamo dirci Cristiani (Waarom wij ons christenen moeten noemen) erop dat het secularisme het westen splijt – in het bijzonder Europa van Amerika. Het one nation under God met een in het opebaar biddende president van de Verenigde Staten wordt in Europa nog ternauwernood begrepen. En wat in Amerika civil religion heet, gaat in Europa door voor bigotterie of kwezelarij, zo niet zelfs voor fundamentalisme. Het secularisme verwijdert Europa steeds meer uit zijn traditie en ontneemt Europa zo zijn fundament als gevolg waarvan Europa geen identiteit krijgt en tot werkelijke eenheid kan samengroeien op zo’n wijze dat burgers van een bepaald land zich ook Europese burgers voelen. Nu is Europa nog in hoofdzaak cultureel dierbaar aan hen die steeds het eigen continent bereizen, overeenkomsten (en ook verschillen) hier en elders zich telkens weer te binnen brengen of die naar de gewoonte van de vorderende Middeleeuwen het zich kunnen veroorloven van universiteit naar universiteit te gaan, zoals nu al gebeurt in het Europese Erasmus-project. Maar ook degenen die – dikwijls door geldnood gedwongen – de vrijheid kiezen te wonen en te werken binnen de Europese Unie waar zij willen. Ook zij kunnen al bijdragen aan het niet slechts economische en weldra meer politieke maar tevens aan het culturele of geestelijke huis van Europa, mits zij niet geïsoleerd maar geïntegreerd zich thuis voelen in het gastland.
Denken we in dit kader binnen het eigen land aan de katholieke Polen, gekomen na de val van de Berlijns muur, en de hier reeds meer generaties levende moslims. Beide bevolkingsgoepen worden met angst en afkeer bejegend – zij het door minderheden en zij het wellicht dat de Polen met andere katholieken hier te lande en onze Bible Belt protestanten als niet verlicht te boek worden gehouden. Nog al wat Polen worden uitgebuit in de seizoenarbeid – geregeld schrijven daarover de kranten. Zij ijveren noest en toegewijd, maar zij irriteren. Waarom? Zij zijn ook gewoon katholiek en daarom hogelijk internationaal en houden niet van liturgische fratsen. De moslims op hun beurt worden door populistische tribunen gedoodverfd, als onze cultuur (daar komt het begrip dan toch naar voren) vreemd. Doeltreffender geschiedenisonderwijs kan in dit populistisch denken verandering brengen.
En de opiniërende kringen – niet minder hoog opgeleid dan de borst hoog gedragen? Die élite veracht niet zo zeer de islam maar het christelijke en vooral het katholieke geloof. Geloven is voor de simpelen moet de redenering zijn: Moslims zijn amper of niet te redden maar christenen zouden beter moeten weten. Zijn zij nog steeds niet wereldwijs, hoewel onze secularistische opinieleiders daartoe toch onafgebroken onderricht geven.
Neen, deze weldenkenden vrezen niet de islam maar lijden te meer aan het christendom. Zij bekennen zich tot christofobie. De schrijver Joost Zwagerman heeft in 2009 over dat verschijnsel enige vermakelijke opstellen in het licht gegeven. Zelf katholiek maar ervan weggegroeid, ervan bevrijd, ervan weggedwarreld, is hem rancune jegens de Kerk vreemd: ‘Het rabiate vóórwerk om van je geloof af te vallen was verricht – de troublemakers van de jaren zestig hadden ons bedje gespreid.’ (sic) Deze ‘conservatieve opiniemakers die van zich zelf raadselachtig genoeg denken dat ze progressief zijn’ – ‘afgevaardigden van de lelie-blanke intelligentia’ – ‘smalen over de christenen in de politiek en de media maar minachten moslims die aangeven geen moslim meer te willen zijn’ (toen ten aanzien van Ayaan Hirsi Ali). Christofobie is correct. Islamofobie is incorrect. Althans in dergelijke kringen. ‘In tegenstelling tot christofobie is islamofobie volgens sommige gezanten van de culturele élite een omfoerst soort rascisme.’ Aldus de schrijver uit het Hollandse Alkmaar. Waarom zijn opstellen Hitler in de polder & Vrij van God hier aangehaald? In dit verband om met een enkele gewaarwording van een ander aan te geven hoe anti-christelijk vooraanstaande opinieleiders van dit land zijn, terwijl zij nagenoeg geen of helemaal geen kennis hebben van christendom, Bijbel, Bible Belt of Moederkerk.
De mening gaat de kennis tegenwoordig met afstand vooruit. Dat geldt ook voor menig opinieleider die zich rekent tot de élite. Niet gehinderd door kennis immers is het gemakkelijker alvast af te geven op iets wat zelfs geen journalistiek onderzoek klaarblijkelijk behoeft. Huidige opinieleiders zijn vaak even onwetend als bevooroordeeld maar laten zich evengoed voorstaan op hun slim en meer nog scherp analyserend vermogen.
Het zou raadzaam zijn als de vaderlandse opinie-élite eens wat meer studeert en daarenboven niet alleen het direct ervaarbare en zichtbare als enige maatstaf van de werkelijkheid kiest en zo kan dan in enen de benauwende beperking van alleen de rede leert inzien. Zo er pathologieën van de religie bestaan – we behoeven slechts in een boekwinkel de schappen esoterie gade te slaan – bestaan er dan niet ook pathologieën van het verstand? – om nog eens Ratzinger in debat met Habermas aan te halen.
Ik stel voor dat de vijandelijkheid jegens het christendom, die in het bijzonder de wereldwijde Rooms-Katholieke Kerk geldt, in kringen van opinieleiders een einde neemt. Uiteraard bedoel ik niet dat misstanden waar dan ook niet aan de kaak gesteld moeten worden. Maar de Kerk – mijn Kerk – uitmaken zonder enige nuancering voor een ‘misdadig instituut’ en dergelijke, reikt niet verder dan het ongeïnformeerde niveau van een scheldpartij. Laat die opinie-élite zich tevens herinneren dat althans de meesten van hen – of het hun nu aanstaat of niet – toch cultuur-christenen zijn. Ook ongelovigen, agnosten en atheisten zijn telgen van de Europese cultuur.
Het is in deze kwestie als met kinderen jegens hun ouders. Een periode zich tegen hen afzetten kan behoren tot volwassenwording. Maar kinderen, die ook op den duur niet willen weten van hun ouders, zijn niet volwassen geworden.
Wereldwijd trekken de gelovigen van vooral de grote godsdiensten samen op tot bevordering van de vrede en tot handhaving van de moraal. Dat verdient telkens ook in Nederland aanbeveling – tevens om in vereende kracht het hoofd te bieden aan het publieke cynisme en het maatschappelijke dédain jegens gelovigen.
Zich herinneren dat Europa in oorsprong een christelijke cultuur is betekent zich bewust zijn van de bronnen waaruit die is voortgekomen – de Joodse Bijbel, de Griekse wijsbegeerte, het Romeinse recht. Maar het betekent beslist ook de wijze waarop christenen met niet-christenen in Europa zijn omgegaan opdat niet meer kan geschieden wat niet op grond van het christendom maar wel uit naam van het christendom aan slechts, minderwaardigs en erger in het verleden is geschied. Laat het berouw daaromtrent voortaan ook deel uitmaken van de identiteit van dit continent, opdat Europa aan eenieder dierbaar is.
V
Resten mij naast een slotbemerking eerst woorden van dank te spreken:
Jegens de Universiteit van Tilburg, die onderwijs en onderzoek met ‘open katholieke signatuur’ bevordert en in stand houdt. En dat in de personen van
de rector magnificus (de heer Philip Eijlander), de voorzitter van het college van bestuur (de heer Hein van Oorschot), de voorzitter van het stichtingsbestuur (de heer Ruud Lubbers).
Voorts jegens de decaan van de faculteit van geesteswetenschappen, Arie de Ruijter, die mij even hoffelijk als loyaal – in weerwil van mijn katholieke geloofsovertuiging – aan deze universiteit heeft opgenomen, bemoedigd en beschermd.
Ik dank de universiteit dat zij het heeft mogelijk gemaakt de toegemeten tijd van vijf jaren ook werkelijk vol te maken.
Ik dank de Stichting Hieronymus die tot deze bijzondere leerstoel het initiatief heeft genomen.
Ik dank de inmiddels gestorvenen bestuursleden Jan Lagrand, Bart Makken en Carel ten Horn. Ik dank de bestuursleden die nog in het ondermaanse zijn: Oscar Haffmans en Harry van de Kamp – in het bijzonder Cor Verkade en Jan Louis Burggraaf – beiden fors protestant – die al ver vóór de inrichting van de leerstoel voor mij een eigen website hebben bekostigd.
Ik dank het kernbestuur: voorzitter Jan Louis Burggraaf, die uit eigen middelen de begroting soms heeft rond gemaakt, penningmeester Cas de Quay, die de trouw jegens dit eenmaal door hem gestelde doel zonder aarzeling standvastig steeds heeft betracht. Ik dank secretaris Désirée van Gorp, de onvermoeibare aandrijver van de stichting – inmiddels zelf hoogleraar (maar dan een echte).
Ik dank al degenen die met geldelijke bijdragen deze leerstoel hebben gesteund en gestut en daardoor mij hebben bemoedigd.
Ik dank degenen – van veraf veelal meer dan van dichtbij – die mijn colleges hebben willen volgen.
Ik dank u allen, hier aanwezig, die met uw aanwezigheid deze academische plechtigheid hebt opgeluisterd.
VI
Nagenoeg mijn gehele leven heb ik – zij het met onderbrekingen (nu eens het ene meer en het andere minder) – geleefd als dienstknecht in de media, aan de universiteit, in de Kerk (de Alma Mater en de Mater Ecclesiae – eigenlijk zo van nature met elkaar verbonden).
Twee lessen van twee door mij bewonderde hoogleraren uit de negentiende eeuw breng ik tot slot in het midden met het oog op de universitaire traditie die – zo niet in stand gehouden – nieuw leven verdient:
Geen ander wellicht meer dan de cultuurhistoricus Jacob Burckhardt heeft zo helder gezegd waarom het aan de universiteit behoort te gaan. In één woord: het ideaal van de Bildung (vorming van de gehéle persoon). Burckhardt wist zeer wel dat het overtuigender is in het hart van jonge mensen te schrijven dan alleen op papier. Universitair onderwijs kan weliswaar niet zonder onderzoek, maar onderwijs is de allereerste prioriteit van de universiteit en van de gehele maatschappij.
De andere hoogleraar is John Henry Newman die in de denklijn van Burckhardt voortreffelijk de idee van de universiteit heeft verwoord: De taak van de universiteit is liberal education (opvoeding die vrij is van utiliteit), opvoeding tot eruditie (nutteloos maar zinvol), zelfstandig denken, ordening van kennis.
Ik heb het steeds als mijn opdracht aan de universiteit beschouwd de Bildung, die niets anders is als de liberal education, hoog op het blazoen te houden.