Antoine Bodar

Zingen zuivert de ziel.

header-05.jpg
 

Christen zijn – toen & nu

30 January 2016 |  Nieuwe Kerk Amsterdam  |  Lezingen

CHRISTEN ZIJN — TOEN & NU

[Sacraliteit Herstellen (Instaurare Sacra)]

I

Kerken zijn gebouwd in de tijd van Constantijn. Zij worden afgebroken in de huidige tijd. Daarom eerst eenr oman-fragment in parafrase:

De tijden zijn veranderd. Steeds vaker wensen gezinnen — of het nu Joden zijn of Moslims of Christenen — voor hun kinderen een opvoeding die zich niet beperkt tot de overdracht van kennis maar wezenlijk daarin opneemt een spirituele vorming die overeenkomt met hun traditie. De terugkeer tot religie is een diep ingrijpend streven dat de gehele samenleving doortrekt. het Ministerie van Onderwijs moet daarmee rekening houden. Feitelijk gaat het slechts erom het kader van de scholen te verruimen en geschikt te maken in overeenstemming met de grote tradities van ons land — Islamitisch, Joods, Christelijk.[1]

Aan het woord is de candidaat van de Islamitische Broederschap voor het presidentschap van Frankrijk in 2022 volgens de geruchtmakende roman, verschenen in 2015 — geschreven voorafgaand aan de terroristische aanslagen in Parijs op Charlie Hebdo en de Joodse zelfbedieningszaak op 7 januari en te meer aan de orde van de dag sinds die van 13 november in hetzelfde jaar.

Michel Houellebecq, schrijver van Soumission (Onderwerping), deelt naar eigen zeggen het inzicht van de negentiende-eeuwse filosoof Auguste Comte dat een maatschappij zonder religie niet kan voortbestaan. Haar bedreigt het volledig uit elkaar vallen.

‘Persoonlijk ben ik van mening dat nog veel kracht steekt in het katholieke geloof. Ik geloof dat het toekomst heeft, ofschoon de ontwikkeling in het boek anders verloopt.’ Aldus bekent de auteur in een interview: ‘De Verlichting is aan haar einde , het humanisme is dood, het laïcisme — meer dan honderd jaar geleden uitgevonden door politici die in het atheïsme de toekomst zagen — is dood.'[2]

De candidaat van de Muzelmannen in Houellebecq’s roman wordt president van de Franse republiek. De Sorbonne, overgenomen door Saoedie-Arabië, is nu Islamitisch en alle professoren moeten — op straffe van ontslag — de godsdienst van Mohammed aanhangen. De hoofdfiguur van de roman Franc,ois laat zich ontslaan maar wordt na verloop van tijd bepraat door de president van de universiteit — Belg, eertijds katholiek, gepromoveerd aan de Katholieke Universiteit van Leuven, beïnvloed door het denken van Toynbee, inmiddels overtuigd Moslim:

‘Aanmatigend, dat is het juiste woord. In zijn kern getuigt het atheïstische humanisme van een ongehoorde hoogmoed, van een ongehoorde arrogantie. En zelfs het Christelijke denkbeeld van de Menswording toont in wezen een lichtelijk komische aanmatiging. God is mens geworden…'[3]

En verder in die poging door de universiteitspresident de gewezen professor over te halen tot Soumission (Onderwerping):

‘Zonder het Christendom  zouden de Europese naties niet meer zijn dan lichamen zonder ziel — zombies. Blijft slechts de vraag: Zou het Christendom kunnen herleven?’

‘Dit Europa, het hoogtepunt van menselijke beschaving, is in enige decennia aan zich zelf ten gronde gegaan […] In geheel Europa hebben zich anarchistische en nihilistische bewegingen voorgedaan, oproepen tot geweld, afwijzingen van elke morele wet.'[4]

De eerder ontslagen hoogleraar Franc,ois — als kind katholiek gedoopt, niet meer gehinderd door kennis omtrent de Kerk  maar ook nooit overtuigd atheïst geworden — blijkt onder de indruk van de overredingskracht van de Moslim geworden universiteitspresident en denkt na:

‘De strijd die nodig is om een nieuwe fase van een organische cultuur te laten ingaan  kan heden niet meer uit het Christendom voortkomen.

Dat zal gebeuren uit naam van de Islam, de jongere, meer eenvoudige en meer waarachtige [sic] zustergodsdienst […] Het is de Islam die nu de scepter heeft overgenomen.

Door behaagzucht, schijnheiligheid en schandelijke huichelarij van de progressisten is de katholieke Kerk niet meer in staat weerstand te bieden aan het zedenverval […] Men mag niet langer de ogen sluiten voor dit onomstotelijke feit: Nu het tot zo’n graad van afschuwwekkende verrotting is gekomen, kan West-Europa niet meer zichzelf redden — even weinig als in de vijfde eeuw het oude Rome.'[5]

Het verval van Rome destijds — maar dit ter zijde — was volgens de achttiende eeuwse historicus Edward Gibbon in zijn monumentale The History of the Decline and Fall of the Roman Empire juist aangevangen bij de bekering van keizer Constantijn tot het Christendom met de daaraan eigen lessen over geduld en verdraagzaamheid — met als gevolg mettertijd dat de laatste resten martiale strijdvaardigheid in de kloosters zouden zijn begraven.

Enfin, tot zover het gesprek in Michel Houellebecq’s roman Soumission (Onderwerping) tussen hoofdpersoon Franc,ois en de Moslim geworden president van de Sorbonne — in zijn gang naar de Islam zo onder de indruk van Toynbee.

Wij bedenken onderwijl dat dit allemaal alleen maar literatuur is — naar een gevleugeld woord van Gerard Reve, terwijl we tevens overwegen — naar een gezegde van Martinus Nijhoff — dat dichters wèl de waarheid liegen.

II

De Britse historicus Arnold Toynbee sluit in zijn boekenreeks A Study of History, voltooid in 1961, aan bij de geschiedopvatting van de Duitse wijsgeer Oswald Spengler in diens geschiedfilosofische boek Der Untergang des Abendlandes, waarvan het eerste deel is verschenen in 1918 en het tweede in 1922.

Dat boek over de aanstaande ondergang van de westerse beschaving is destijds verpletterend geweest — steeds onderwerp van debat tussen geleerden die het geschrift voor onwetenschappelijk hielden en anderen die de tekenen des tijd begrepen als door Spengler geduid.

Een zienswijze die in het  kinderarm geworden oorspronkelijke Europa, waar frisse immigranten en hier nu aankomende jonge vluchtelingen uit Moslimlanden een tweede thuis vinden, klaarblijkelijk toe is aan heroverweging, te meer daar de uit Zuid-Amerika afkomstige paus Bergoglio ons werelddeel vermoeid noemt en al verwikkeld naar zijn zeggen in de Derde Wereldoorlog. En daarbij voegt zich nog eens de onderlinge onsaamhorigheid op ons continent.

Oswald Spengler verklaart de ontwikkeling in de geschiedenis niet als steeds vooruitgaand — zoals het Christendom en het daaraan in westerse kringen ontsproten kinderrijke nageslacht van gelovigen in de Verlichting — maar als cyclisch:

Elke cultuur, waarvan hij er acht onderscheidt, heeft een duur van duizend jaar of meer — zo de Egyptische en de Chinese, de Grieks-Romeinse, de Arabische (met daartoe gerekend de vroeg-Christelijke en Byzantijnse tijdperken) èn de West-Europese — Noord-Amerikaanse beschaving — de cultuur van het avondland.

Zo’n organische eenheid kent zoals in de natuur opgang, bloei en neergang. De achteruitgang voor het westen is begonnen toen Napoleon te paard steeg om Rusland te veroveren[6] en zou omstreeks het jaar 2000 worden beëindigd.

Dit Spengleriaanse wereldbeeld wordt gevoed door groeiend inzicht dat het intellectuele debat in de twintigste eeuw zich heeft beperkt tot de strijd tussen het communisme — de harde variant van het jegens het Christendom vijandige humanisme — en de liberale demokratie — de  zachte variant daarvan.[7]

Is in die gedachtenwisseling religie — hetwelk verbinding  inhoudt — niet te zeer uitgesloten en zelfs afgedaan als tamelijk achterlijk denken in verhouding tot de Verlichtingbeterweters — mede door toedoen van de al te benauwde opvatting van het laïcisme, waarvan hier te lande de politieke partij D’66 belichaming is?

Behoort belijden van godsdienst — dienst aan God — niet evenzeer tot een maatschappelijke samenbinding als het altijd openbaar verplicht getoonde voetballen, de boer-zoekt-vrouw aangelegenheid en de dikwijls op effect berekende en derhalve nog al eens onbenullige vragenstellerij in de Tweede Kamer?

De vraag stellen is haar beantwoorden.

In Europa heerst vrees voor de Islam. Maar bestaat echt een mate van tegenstelling tussen Moslims enerzijds en de andere Europese burgers anderzijds? Of is eerder sprake van gelovigen enerzijds en ongelovigen anderzijds?

Buiten kijf staat dat Moslims zich eerder herkennen in Christenen, met wie zij het geloof in God en de zin voor het heilige delen, dan in neo-heidenen. En omgekeerd waarderen Christenen in Moslims dat zij zich aan Gods verborgen raadsbesluiten in navolging van Abraham willen onderwerpen.[8]

Beheersen niettemin seculieren nu niet te exclusief de openbare ruimten in ons land waardoor — zeker op termijn — ferme regulieren daarin terrein zullen proberen te winnen? En dan juist véél eisend?

Het verdragen van godsdienstigen in een samenleving betekent geen onverschilligheid jegens hen maar evengoed betrokkenheid en zelfs een zekere welwillendheid.

III

Hoe is momenteel de toestand van gelovigen wereldwijd?

Terwijl door toestroom van Moslims met hun kinderscharen de bevolking van West-Europa weer kan groeien, neemt niettemin de tolerantie jegens hier vanouds gevestigde godsdienstigen af.

In 2015 zijn bijna tienduizend Joden van Europa naar Israel geëmigreerd wegens toenemend antisemitisme, zo meldt de stichting Open Doors in haar jaaroverzicht.[9]

En de Christenen? Hun vervolging is in 2015 wederom toegenomen. Meer dan zevenduizend zijn om de Christus-belijdenis gedood. Een vijfentwintighonderd kerken zijn vernield, waarin eenvoudigweg het Godsgeloof in Christus werd beleden.

Dat is weliswaar elders op de wereld maar de westerse onachtzaamheid in dit opzicht is een zwijgzaam sprekende spiegel van een continent in luiheid dat de eigen beschavingswortels — die meer zijn dan die van de Grieks-Romeinse Oudheid en van de (van het neo-heidens humanisme doortrokken) Verlichting  schijnt te vergeten.

Want de huidige Verlichting  — die veel beperkter is dan die van de achttiende eeuw — betekent dat de mensheid zich opsluit in de beslotenheid van enkel de rede en de tastbare dan wel waarneembare ervaring.

Dat eerst recht is opperste armoede van de mens als geheel. De vermeend geëmancipeerde, dus eigentijdse Verlichting die louter het verstand en slechts de directe ervaring zou aanvaarden getuigt alleen van geestelijke armoede en derhalve van uitzonderlijke bijziendheid in de eigen tijd — armoede waarin grote delen van het menselijke vermogen worden beknot en zelfs afgesneden.

Laat Christenen en in enen nieuwe heidenen in West-Europa eens ontwaken uit slaperige vadsigheid en weer verantwoordelijkheid kiezen in ons veranderende werelddeel en aldus weerstand bieden aan de flauwekul van alledag — elke dag te veel getoond op de televisie — alsmede aan de terugbrenging van al hetgeen belangrijk is tot politiek en economie, zoals in ons Nederland besproken in de talkshows van de late avond — de hedendaagse slaapmiddelen om ten minste niet echt te behoeven nadenken over het gehele leven.

Waarom niet eindelijk weer eens het geheel van onze Europese, culturele wortels in herinnering roepen?

Christenen van cultuur evenzeer als die van belijdenis — dus nagenoeg nog steeds de meeste vaderlanders — zouden zij niet eens monterheid tonen en de Europese traditie in ere houden die ook geborgenheid biedt en vastheid in een wereld die steeds chaotischer schijnt te worden?

Laten wij de terugkeer van de religie in West-Europa over aan de Islam of verheffen met name Christenen ook nog hun stem? Gedragen Europese Christenen zich niet al te zeer als de Byzantijnen toendertijd die passief bleven neerzitten in afwachting van de barbaren — naar de dichter Konstandinos Kavafis?[10]

‘Waar wachten wij op, verzameld op het marktplein.

De barbaren zullen vandaag moeten komen.

Waarom heerst er zo’n ledigheid in de senaat.

Wat zitten daar de senatoren en geven geen wetten.

Omdat de barbaren vandaag zullen komen.

Wat voor wetten zullen de senatoren nog maken.

De barbaren zullen, als ze er zijn, de wetten geven.’

Kunnen lauwheid en zelfgenoegzaamheid in belijdenis nog wijken voor geestdrift en fierheid? Of zijn we werkelijk te krachteloos geworden en vermeien wij ons in nalatigheid?

Vast staat dat jonge mensen uit vooral voorheen katholieke kringen nog al eens zich aangetrokken voelen tot de Islam. Zij gaan zelfs tot die godsdienst over. Waarom?

Moslims tonen zich flink in hun geloofsovertuiging en lijden niet onder de  westerse kwaal van het eindeloze relativisme.  Want hoe zich te vereenzelvigen met Christenen die hun eigen godsdienst als hoogst betrekkelijk beleven die zij daarenboven laten terugdringen tot een sociale leer of een stelsel van louter ethiek (waaronder zij eertijds naar eigen zeggen hebben geleden)?

Moslims daarentegen bieden een vast grondbeginsel dat bijna simpel mag heten en niet gehinderd wordt door de in het Christendom verplichte liefde jegens de vijand.

IV

Eusebius van Caesarea verhaalt in zijn Vita Constantini hoe in een droombeeld Constantijn het kruis aan de hemel ziet verschijnen met de toegevoegde tekst In hoc signo vinces (In dit teken zult gij overwinnen). Hij bevindt zich even ten noorden van Rome nabij de Via Flaminia. De volgende dag, op 28 oktober 312, overwint hij zijn tegenstander Maxentius aan de Tiber bij de Pons Milvius werkelijk. Onmiddellijk verbreidt Constantijn het Christendom, vaardigt volgens de schrijver Lactantius in februari 313 samen met zijn medeheerser Licinius het zo genaamde Edict van Milaan uit met godsdienstvrijheid voor het gehele rijk en wordt ten slotte in 324 enig keizer — tot zijn dood in 337.

Hij bevordert overal de kerkenbouw. Kerken moeten hoog worden opgetrokken, zo vermeldt Eusebius, in overeenstemming met hun waardigheid[11] — tekenen van de aanwezigheid van het Christendom.

Stilaan begint dan de openbare ruimte te veranderen. Tempels worden op den duur afgebroken of omgebouwd tot kerken. Constantijn zelf geeft opdracht tot de bouw van de kathedraal in Rome, toegewijd aan de allerheiligste Verlosser (de huidige Sint Jan van Lateranen) alsook tot de Petrusbasiliek boven het graf van de eerste paus op de Vaticaanse heuvel.

Op gelijke wijze verandert heden de openbare ruimte — zeker in Nederland.  Mammon neemt de plaats in van God en veelgodendom keert terug en wordt alom ‘gevierd en aangebeden’. Kerkgebouwen wijken voor bankgebouwen en voor zover zij nog overeind staan, zijn zij aan de eredienst ontrokken en dienen zij andere doelen.

Zuid-Europeanen geloven hun ogen niet wanneer zij hier kerken betreden waar het altaar — teken van Christus — is vervangen door het grafmonument van een held, zoals dat van vlootcommandant Willem Joseph van Ghent in de Dom van Utrecht, dat van prins Willem van Oranje in de Oude Kerk van Delft of dat van admiraal Michiel Adriaenszoon de Ruyter in de Nieuwe Kerk van Amsterdam. Sacrale gebouwen worden veranderd in wereldlijke hallen in een ontwikkeling van eeuwen die nu zijn voltooiing vindt, zoals omgekeerd in de eeuw van Constantijn de openbare ruimte na eeuwen van veelgodendom Christelijk  gestoffeerd is geraakt.

In 380 verheft keizer Theodosius I met  het Edict van Thessaloniki het Christendom tot staatsgodsdienst. Heeft Constantijn Christenvervolgingen doen verkeren in bevoordeling van Christenen zowel door zijn macht als met keizerlijk geld, vanaf dan zouden staat en Kerk geheel samen optrekken. De staat beschermt de Kerk en de Kerk verleent glans aan de staat en verhoogt zijn waardigheid — enigszins zoals tegenwoordig de Russisch-Orthodoxe Kerk de tot tsarisme neigende macht van staatspresident Vladimir Putin gloed geeft.

Is een dergelijk samengaan van wereldlijke macht en geestelijk gezag voor beide instellingen vruchtbaar of verloochent de Kerk niet feitelijk de eigen roeping, hoe even aangenaam als gemakkelijk het voor kerkelijke bedienaren ook is aan te leunen bij de belasting heffende en van de burgers eisende overheid? Het is het verschijnsel van het Theodosianisme — meer bekend als het Constantinianisme.[12]

Kan de Kerk het Evangelie verkondigen, Jesus navolgen in deemoed, de ander hoger achten dan zichzelf, in armen de schatten van de Kerk beleven,  vrede stichten en gerechtigheid betrachten.

Het is een telkens terugkerend gezichtspunt. Behoren Christenen niet tegendraads te zijn, wars van macht en geweld, wars van aanzien en eerbetoon — slechts zwervers op aarde, vreemdelingen in de tijd, pelgrims op weg naar de eeuwigheid? Welk ander zwaard wendt de Christen aan dan alleen het zwaard van de tong, het zwaard van het Woord?

Zijn niet toch heden weerloosheid en kwetsbaarheid meer aansprekende eigenschappen van Christenen dan zelfverzekerde weerbaarheid en krachtdadigheid — althans in onze streken?

Moeten niet Christenen om zuiver hun geloof te belijden in onze dagen terug in de catacomben van weleer — ongeacht en ongezien — waarheen velen van hen, ook hier in Nederland, reeds onderweg zijn? Waarom? Omdat zij zich in de al te seculiere samenleving voelen buitengesloten.

Het dilemma blijft omtrent een Kerk die openlijk wat te zeggen heeft en een Kerk die ondergronds is gegaan. En de tweestrijd blijft complex. De tegengestelde denkrichtingen kunnen niet strikt worden gehandhaafd en worden tevens beïnvloed door tijd en omstandigheid, door goed of slecht overheidsbestuur.

Zelfs de hedendaagse scheiding van Kerk en staat kan niet dan met benul van betrekkelijkheid van die scheiding worden beleefd.

Het leven zelf is nooit steil en strikt logisch maar immer zich voegend naar het eigen kronkelig voortgaande pad.

In het inzicht daaromtrent schuilt een levenswijsheid die tevens het gevoel voor humor en ironie bewaart — balsem voor de ziel in de dagelijksheid van ons allen.

V

Hoe zal het de Kerk in West-Europa in de toekomst vergaan?

Zij aanvaardt de wereld zoals die is en sluit zich niet daarvan af. Christenen zijn medeburgers die belangen delen met niet-Christenen. De geseculariseerde samenleving is eigen aan de tijd en die secularisering zal nog toenemen. Daarenboven zijn de meeste Christenen oud en weldra in het graf afgedaald of in de vuuroven verbrand.

Jonge Christenen zijn gering in aantal en zijn opgegroeid in een al volledig veranderde wereld waarin geloof niets vanzelfsprekends meer heeft. Zij zullen de met Christelijke symbolen gelardeerde gemeenschap niet meer missen. Of toch wel? De nog bestaande maatschappelijke voorrechten van de Kerk zullen verder worden afgeschaft. Zo ziet het althans nu uit en dat geeft feitelijk in de diepte niets.

De Christenheid ontdoet zich verder van de wereld zonder zich van de wereld af te keren maar door veeleer naar de wereld toe te gaan als eigen zelfstandigheid.

En hoe treedt de Kerk toch naar buiten en bemoeit zij zich met de samenleving? Door op te komen voor de gerechtigheid, de armoede te bestrijden, elk mens evenwaardig te achten en gelijk aan zichzelf, de schepping te bewaren en de aarde te beheren en niet uit te buiten, steeds bereid te zijn te vergeven en niet op te lossen onrecht te verdragen.

Dat is het doende Christendom dat aanvaard wordt in de rest van de maatschappij.

Velen zijn nog slechts Christenen van huis uit, mogelijk cultuur-Christenen maar feitelijk nieuwe heidenen die hun geloof noch beleven noch belijden, van bekering geen weet hebben en de wil van God beperken tot de eigen wil.

Reeds in 1958 stelt de Duitse theoloog Joseph Ratzinger dat gegeven vast,  spreekt over een Kerk van heidenen die zich nog Christen noemen, waardoor het heidendom de Kerk is binnengedrongen en van binnen uitholt.

In de vroege, nog niet door de staat aanvaarde Kerk komt iemand persoonlijk tot geloof en bekeert zich en vormt samen met andere Christenen een gemeenschap van overtuigden. Het is de eerste keer dan dat Ratzinger oproept tot ontwereldlijking van de Kerk.[13] Wil de Kerk echt weer overtuigingsgemeenschap worden zoals in de begintijd, dan zal zij rigoreus van haar wereldlijke posities moeten afzien. Haar missionaire kracht zal door dat uiterlijke verlies slechts innerlijk winnen.

Heeft de Kerk zich eerst ontwikkeld van een kleine schare tot een wereldomvattende Christenheid, nu is — in onze streken — de omgekeerde beweging gaande die ons niet behoeft te verzwakken maar kan versterken.

Aan het einde van zijn bezoek aan Duitsland, op 25 september 2011, komt Ratzinger als Benedictus XVI in een te Freiburg gehouden rede voor betrokken katholieken nog eens op de ontwereldlijking van de Kerk terug[14]:

Wij samen zijn de Kerk en de Kerk zal zich steeds hervormen als voertuig van het heil. ‘Om haar zending te verwerkelijken, zal zij ook altijd weer afstand van haar omgeving moeten nemen, zich tot op zekere hoogte “ont-wereldlijken” (ent-weltlichen).’ Zo paus Benedictus, die aldus zijn toespraak besluit: ‘Slechts de diepe verbondenheid met God maakt een volwaardige toekering naar de medemens mogelijk, zoals zonder toekering naar de medemens de verbondenheid met God verkwijnt. Open staan voor de wensen van de wereld betekent daarom volgens het Evangelie door woord en daad hier en heden van de heerschappij van de liefde Gods te getuigen. Deze opdracht wijst bovendien voorbij de tegenwoordige wereld; want het tegenwoordige leven sluit de verbondenheid met het eeuwige leven in.’

Wat staat de Christen van de toekomst dus te doen?

Hij is maatschappelijk betrokken naar het voorbeeld van paus Franciscus die daaraan geestdriftig en vooraanstaand gestalte geeft door de prediking van de barmhartigheid en door de liefde tot de armen.

De Christen beseft de hem opgedragen taak vanuit Jesus’ uitspraak (Mt 22,14): ‘Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.’

Dat wil enerzijds zeggen dat de velen niet verworpen zijn maar anders delen in het heil dan de weinigen die Christus’ Blijde Boodschap moeten verspreiden om alle volkeren Zijn leerlingen te maken (cf. Mt 28,19). Dat behelst hun opgave het zout der aarde te zijn (cf. Mt 5,13). Uitverkorenheid beduidt het inzicht dat velen — in feite allen — door God worden bemind en niet alleen weinigen. Het gaat dus om inclusiviteit en niet om exclusiviteit, alle mensen ingesloten en niemand buitengesloten.

Uitverkorenheid betekent dus niet meer waard zijn dan anderen — dat is een verspreid misverstand; want daarover gaat de mens niet. Het beduidt wel geroepen zijn tot grotere dienstbaarheid om de opgelegde taak van missionering te volbrengen.

De Christen van de toekomst behoeft verankering in een gemeenschap, een thuis van bemoediging over en weer, waar hij met anderen het geloof kan delen, de Bijbel overdenken en de sacramenten vieren.

Tot dit alles kan hij alleen in staat worden gesteld door de genade van God Die hem dwingend wenkt door de Geest in Christus Zijn, Gods wil te doen.

VI

De tijd is geschikt voor terugkeer naar het sacrale en voor verlangen naar het heilige, voor verinnerlijking van de Godsbeleving en voor vormgeving aan de liturgie waarin de aarde even de hemel raakt en de hemel even de aarde kust. De wil daartoe schuilt in een niet verwachte bewustwording dat het leven verheffing nodig heeft waardoor we de gewoonheid anders kunnen onderbreken dan in verdoving, vermaak, afleiding die met de dagelijkse gewoonheid de gewoonheid eigenlijk delen. Het is ook het begrip dat God niet alleen in ons is en tussen ons onderling maar ook boven ons. Hoe de Heer te aanbidden en te danken door alleen naar elkaar te kijken en in ons zelf te blijven steken? Hoe Hem te belijden door alleen genoeg te hebben aan ons zelf en aan elkaar? Hoe Hem te smeken wanneer we nooit eens de blik omhoog wenden? Zijn we niet al te genoegzaam geworden met de god in ons zelf die we in beleving slechts zelf zijn? God vervangen door ons zelf.

Ook kunsten en letteren vervangen God niet, al kunnen zij in eigen levensduiding de ontvankelijkheid voor Hem bevorderen. Zelfs muziek blijft slechts echo Gods.

Hetgeen ik poog te zeggen benadert Michel Houellebecq terloops enigszins in zijn roman Soumission. De hoofdfiguur Franc,ois bezoekt het duizendjarige Mariabedevaartoord van de Vierge Noire in Rocamadour[15]:

‘Ik keerde naar de kapel Notre-Dame terug die nu verlaten was. De Maagd wachtte in het halfduister — stil en tijdloos. Zij straalde verhevenheid, zij toonde gezag, maar langzamerhand voelde ik dat ik het contact met haar verloor en dat zij zich daar in de ruimte van eeuwen terugtrok, terwijl ik — ineen gezakt op mijn bank — steeds kleiner werd en nietig. Na een half uur stond ik op — definitief door de Geest verlaten en teruggebracht tot mijn verzwakte en vergankelijke lichaam.’

Duidelijker heeft de historicus Johan Huizinga de door mij bedoelde gewaarwording verwoord. Het is 1926 en hij bezoekt in Keulen de Romaanse kerk Sankt Maria im Kapitol waar een stille Mis gaande is[16]:

‘In het halfdonker zweefden de klanken diep en klaar. Ik besefte opeens, wat in het gemeenschapsleven een waar ritueel is, wat het — afgescheiden nog van zijn eeuwigheidswaarde — inhoudt aan cultuurwaarde. Ik voelde de geweldige ernst van een tijd, waarin deze dingen voor allen de essentie waren, en het was mij, alsof negen-tiende van ons hedendaagse cultuurleven eigenlijk niet ter zake doet.’

Tot slot een derde voorbeeld — opgetekend door de schrijver Marcel Proust in Le Figaro van 16 augustus 1904 — geen ervaring maar een voorzegging[17]:

We stellen ons voor dat de kathedraal van Chartres reeds lange tijd aan de eredienst is onttrokken. De daar gevierde liturgie is onbekend geworden, de heilige handelingen zijn vergeten.

Een groep kunstenaars neemt het plan op de oude Hoogmis terug te vinden en als theaterstuk op te voeren. Zo gebeurt.

En Proust’s gevolgtrekking:

De viering van liturgie is niet louter toneelvoorstelling; want betreden we een kerk waar de eredienst aan de gang is, staat daar geen kunstenaar aan het altaar maar een priester.

De échte dienaar van het altaar draagt de Heilige Mis op — ‘in een bewustzijn dat niet esthetisch is, maar dan naar evenredigheid meer dan esthetisch’.

Een voorstelling van Wagner in Bayreuth beduidt weinig in vergelijking met de Hoogmis in de kathedraal van Chartres. Aldus Proust.

Een dergelijke voorstelling evenmin in de Catharina-kerk in Amsterdam, sedert laat in de zestiende eeuw geheten de Nieuwe Kerk.

Te vaak en te veel is liturgie in beschouwing van buiten bekeken als slechts uiterlijk vertoon, terwijl zij ten diepste moet verwijzen naar innerlijke schoonheid die het heilige tracht gestalte te geven vanuit de geesteshouding die de profeet Jeremia (20,7) uitspreekt:

‘Gij hebt mij overreed, Heer, en ik heb mij laten overreden. Gij zijt mij te sterk geweest.’

[1]Cf. Michel Houellebecq, Soumission (Parijs 2015)108-109.

[2] Cf. Die Tagespost (46) 14 XI 2015.

[3]Soumission 253.

[4]Soumission 255,257.

[5]Soumission 275-276.

[6] Cf. Oswald Spengler, Der Untergang des Abendlandes (editie en pagina opzoeken).

[7]Cf. Soumission 254.

[8]Cf. Nostra Aetate 3.

[9]Cf. Open Doors: Het getal is 9880 in totaal — daarvan circa 8000 uit Frankrijk.

[10]’Wachtende op de barbaren’ (eerste strofe) in vertaling van G.H. Blanken.

[11]Cf. Sible de Blaauw, ‘Constantijn als kerkenbouwer’ in: Olivier Hekster & Corjo Jansen (redactie), Constantijn de Grote. Traditie en verandering (Nijmegen 2012) 90.

[12]Cf. Peter Nissen, ‘Constantijn en het christendom. Zondeval of triomf’ ibidem 69-73.

[13]Cf. Joseph Ratzinger, ‘Die neuen Heiden und die Kirche’ in: Hochland (Oktober/ 1958).

[14] Benedictus XVI, ‘Die “Freiburger Rede”. Ansprache von Papst Benedikt XVI. an engagierte Katholiken aus Kirche und Gesellschaft’ in: Jürgen Erbacher (redactie), Entweltlichung der Kirche? Die Freiburger Rede des Papstes (Freiburg im Breisgau 2012) 13,17.

[15]Soumission 170.

[16]Johan Huizinga, Amerika levend en denkend (jaartal en pagina opzoeken).

[17]Marcel Proust (editie en pagina’s opzoeken).