Antoine Bodar

Dienen is ook duiden en verschaffen van beschutting.

header-05.jpg
 
Warning: array_shift() expects parameter 1 to be array, boolean given in /var/www/vhosts/antoinebodar.nl/httpdocs/wp-content/themes/antoine_bodar/single.php on line 14

Liturgische kalender

31 oktober 2020 |  Antoine Bodar

Zodra het najaar intreedt, wij Allerheiligen en Allerzielen vieren, de bladeren vallen en de regens zich vermenigvuldigen, beginnen mensen zich voor te bereiden op Kerstmis, ofschoon dat christelijke hoogfeest voor velen niet meer is dan het midwinterfeest, het vreugdevolle samenzijn in de donkerte, de wintervacantie. De kerstversiering wordt alvast tevoorschijn gehaald en de kerstliederen worden al zo dikwijls beluisterd, dat eenieder op 25 december in verzadiging al wat kerstmoe is, ook al wordt de week van Kerst tot Nieuwjaar evengoed nog gevierd, totdat op 2 januari het echt tijd is de Kerstboom buiten te zetten, zich te begeven naar de Nieuwjaarsborrels en het voorjaar af te wachten. In de wereld valt de Kerstvreugd al in de tijd die voor christenen pas de Advent is.

Zo niet de Kerk: Terwijl de geseculariseerden al volop aan het vieren zijn, beginnen christenen de Advent, de periode van verwachten en uitzien, pas vier weken vóór Kerstmis en meestal korter tot bijna drie weken om de geboorte van de Verlosser te gedenken en te vieren. Een groots te vieren en te genieten feest dat geruime voorbereiding in verwachting groter zou kunnen maken.

Hoe kan de Verlosser immers onder ons wonen en voor ons worden overgeleverd, sterven èn verrijzen uit de dood, als Hij niet eerst als Kind is geboren?

Terwijl tegenwoordig de Kerk de Advent kort houdt, al naar gelang Kerstmis valt in de vierde week, en de Kersttijd sedert de liturgiehervorming van het Tweede Vaticaans Concilie nog korter,  zouden vele christenen liever een langere Advent en een langere Kerstperiode willen beleven.

Natuurlijk zou de wereld de Kerk moeten volgen en niet de Kerk de wereld. Dat houden hardnekkig vromen en preciesen elkaar althans voor. Maar waarom zouden christenen hier nu niet eens de wereld volgen en inspelen op de gegroeide maatschappelijke practijk onder het motto dat christenen de opdracht hebben de geseculariseerden op te zoeken, naar hen toe te gaan en hun missie van getuigenis op bescheiden wijze aan de man te brengen.

Waarom openen Carnavalvierders al op de elfde van de elfde hun seizoen van feestgedruis en drinkgelag?  Dat gebruik gaat niet minder tot de Kerk terug dan Carnaval.

Na Carnaval begint de Vasten met Aswoensdag. Al degenen, die uitbundig hebben gejubeld met Carnaval, komen vanzelfsprekend het Assekruis halen om te bedenken dat de mens stof is en tot stof wederkeert.

Op 11 november viert de Kerk de heilige bisschop Martinus. En her en der eertijds — en dat nog steeds volgens de Ambrosiaanse ritus — is terstond nadien de Advent begonnen. De Kerk zou nu dat gebruik van het diocees Milaan kunnen overnemen, als gevolg waarvan de Advent  ruimer — zes weken — de intieme voorbereidingstijd wordt om eerst Christus’ tweede komst (waarop de lezingen aan het einde van het liturgische jaar nu al voorbereiden) en nadien Zijn eerste komst in de kribbe te overwegen en te vieren.

Niet zoals de Veertigdagen is de Advent louter oproep tot inkeer en boete die uitmondt in meditatie over de Passie des Heren en hetgeen daarop volgt. De Advent is blijer als tijdspanne — niet de Passie maar de Geboorte wordt in deemoed vol verwachting overwogen. God wordt mens om ons deel te geven aan Zijn goddelijkheid. Zijn komst is de troost van Zijn medeleven en barmhartigheid. Later pas komt met Goede Vrijdag de verlossing en met Pasen de verrijzenis. Om te kunnen verlossen — reden waarom God is mens geworden — is de Verlosser eerst geboren. We krijgen met Kerstmis reeds het uitzicht op het eeuwige leven, wanneer Jesus de Christus als eerste uit de doden wordt opgewekt.

De perioden van Advent en Kerstmis in de winter openen het uitzicht naar het nieuwe leven in eeuwigheid in de lente.

En de huidige Kersttijd? Holder-de-bolder vallen de feesten over elkaar heen. Veel ademtocht wordt ons niet gelaten om het ene of het andere geloofsmysterie dieper tot ons te laten doordringen, afgezien nog van het in die krappe tijd toegevoegde ideëenfeest van de Heilige Familie.

In dit kader mag ter zijde de vraag worden gesteld, of het werkelijk schrander is hoogfeesten naar zondagen erna (of ervoor) te verplaatsen, zoals dat van Driekoningen in Nederland en dat van des Heren Hemelvaart in Italië. Hier zou ik de wereld juist niet volgen maar de Kerk. Al die verplaatsingen doen mijns inziens afbreuk aan de oorsprong van het te vieren geloofsmysterie, wanneer in de liturgie dikwijls wordt gesproken over ‘hodie’ (heden).

De opwaardering van Pasen ten nadele van Kerstmis is meer in overeenstemming met die van de Zusterkerken in de Orthodoxie. Niettemin kan het hoogfeest van de Verrijzenis des Heren het hoogfeest van Zijn Geboorte alleszins verdragen.

Het getuigt niet van rekening houden met de westerse traditie de huidige Kerstperiode zo te beknotten als heden sedert ruime een halve eeuw het geval is.

Is het hoogfeest van de Verschijning des Heren voorbij, meteen volgt de Doop des Heren — met enig geluk wat de kalender aangaat — de zondag na dat hoogfeest van Driekoningen. En de Kersttijd is voorbij.

Het is niet zo maar dat tijdens de pontificaten van Joannes Paulus II en Benedictus XVI de kerststal en zelfs de kerstboom op het Petrusplein bleven staan tot 2 februari, Maria Lichtmis, zoals ook nog steeds in tal van Italiaanse kerken.

Tot vóór een halve eeuw is de Kersttijd pas veertig dagen nadien met de Opdracht van Jesus in de Tempel besloten — mijns inziens een veel natuurlijker besluit. Het zou zijn toe te juichen, indien dat oude inzicht, dat rekening houdt met het Christenvolk en tevens daarop in oude wijsheid is gericht, wordt herontdekt.

Aldus hopen wij op een verlengde tijd van de Advent door eerder daarmee te beginnen en een verlengde tijd van Kerstmis door langer daarmee door te gaan. Beide perioden sluiten wat betreft de Advent meer aan bij de geseculariseerde wereld en wat betreft Kerstmis meer bij de christenen die gaarne leven volgens de vanzelfspekende en niet volgens de als artificieel ervaren kalender van het liturgische jaar.

En nu we toch doende zijn: Bij de gratie van de liturgie-deskundologen heeft Kerstmis het eigen Octaaf mogen behouden. Het Octaaf van Pasen wordt op de achtste dag met  Beloken Pasen beloken/besloten en op deze ‘Dominica in albis’ legden in vroeger tijd de met de Paasnacht gedoopten hun bij die gelegenheid ontvangen witte kleden af.

Het Kerstfeest is dus een vergelijkbaar vieren — met een Octaaf — gegund, ja met dezelfde aanhaling elke dag (Psalm 118,24): ‘Salve festa dies quam fecit Dominus. Exsultemus et laetemur in ea.’ (Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt, laten wij die vieren met blijdschap.)

Zo reikt het christelijke hoogfeest van Kerstmis het wereldlijk nieuwe jaar, dat voor ons aanvangt op de eerste zondag van de Advent,  de hand  en zulks meer dan terecht; want in dit opzicht behoren wij de wereld ook tegemoet te komen.  We spreken op die eerste januari de zegenbede uit het boek Numeri (6,24-27), waaraan werkelijk niemand zich behoeft te storen, volgens mij: ‘Moge de Heer u zegenen en behoeden. Moge de Heer Zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn. Moge de Heer Zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken.’

En niet alleen dat: De Kerk heeft voor die dag een oud Maria-feest, vroeger op die dag gevierd kennelijk, opgedoken dan wel wakker geschud: ‘Maria, Moeder van God’ — prachtig natuuurlijk naast al de andere hoogfeesten en feesten, aan Maria gewijd. Maar welk feest vierde de Kerk klaarblijkelijk later tot aan het Tweede Vaticaans Concilie op 1 januari? Dat was de Besnijdenis des Heren en de Naamgeving van Jesus.

Volgen we de Schrift en zijn wij eindelijk in de jongste halve eeuw gevoelig ervoor geworden dat Jesus en Maria en Joseph vrome Joden waren — dat blijkt nog eens extra bij de Opdracht van Jesus in de Tempel — wij zouden ook op de Octaafdag van Kerstmis nog eens kunnen stilstaan bij Jesus’ Besnijdenis en Naamgeving. Het hoogfeest van Maria als de Moeder Gods, die Jesus’ geboorte en besnijdenis en opdracht heeft mogelijk gemaakt, kan in enen gevierd blijven.

Wij belijden de drievuldige God — de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De klacht weerklinkt (Hnd 19,2): ‘Wij weten helemaal niet dat er een Heilige Geest bestaat.’

Aan Gods geboorte is het Octaaf nog gelaten door de liturgiegeleerden bij de jongste hervormingen, maar de Heilige Geest is Zijn Octaaf afgepakt.

Pasen en Kerstmis dus wel, Pinksteren niet. Stellig, met de nederdaling van de Heilige Geest op de vijftigste dag van Pasen — het woord Pinksteren zegt het al — begint de werkzaamheid van de Kerk en wordt het in de Kerk liturgisch langdurig groen met de gewone gevolgen van dien. Het zijn dan zwakke tijden die de sterke mogelijk maken, zoals die van Advent en Kersttijd, van Vasten en Paastijd.  Maar de afschaffing van het Octaaf van Pinksteren doet de Heilige Geest als Persoon in de Drieëenheid liturgisch geen recht.

Zoals vóór de jongste liturgiehervorming van de jaren zestig van de vorige eeuw wordt ook nu nog op de Octaafdag van Pinksteren — dat geen Octaafdag van Pinksteren meer mag heten — Drievuldigheidszondag gevierd, maar dat feest zou meer verankerdzijn gebleven in de traditie van de Kerk, als het Octaaf van Pinksteren zou zijn gehandhaafd. Drievuldigheidszondag vat de gehele heilsgeschiedenis in de eenheid van de Drie goddelijke Personen nog eens samen. De Geest is gekomen en juist dan kan de drieëne God te treffender worden gevierd.

Het is nu de tijd de hervorming van de liturgie te laten volgen door de hervorming van die hervorming. Haastige spoed blijkt ook nu zelden of helemaal niet goed. Dat blijkt uit die haastige hervormingen in de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie. Een waarschuwing voor de toekomst aan de Kerk die voorgeeft in eeuwen te denken en niet in veranderingen die snelle improvisaties zijn gebleken vanachter het bureau, vanuit de theorie zonder rekening te houden met de medegelovigen in de practijk.

Een hervorming van de hervorming zou de beleving van het mysterie van het geloof kunnen bevorderen of terugbrengen voor zover het teloor is gegaan. En dat verlies blijkt óók en eens te meer uit de leeg gestroomde en afgebroken kerken. Toendertijd is althans in Nederland het mysterie van het geloof aan de straat gezet om als vuilnis te worden opgehaald, laat nu de wijsheid van eeuwen terugkeren en niet die van de waan van de week langer aanhouden.