Antoine Bodar

Dienen is ook duiden en verschaffen van beschutting.

header-05.jpg
 
Warning: array_shift() expects parameter 1 to be array, boolean given in /var/www/vhosts/antoinebodar.nl/httpdocs/wp-content/themes/antoine_bodar/single.php on line 14

De macht van de rat

30 april 2020 |  Antoine Bodar

Terwijl het gras langzaam door het plaveisel heenkomt en aan Piazza Navona een groene gloed verleent, treedt ook de rat onverschrokken naar buiten. Vanaf het dakterras van ons priesterhuis zien we de gewoonlijk verborgen dieren doende bij het tegenover liggende palazzo in Via della Pace. Daar woont nu niemand, omdat het gebouw wordt gerestaureerd. Hier, in het historische centrum, wordt de straat schoon gehouden en wordt het vuilnis opgehaald. Niets te eten voor duiven en meeuwen en ratten. De restaurants zijn gesloten en bereiden geen afval. De toerist is in eigen land en laat niets van zijn fastfood vallen. De dierlijke bewoners van de Eeuwige Stad hebben het nakijken, voor zover zij geen welkom huisdier zijn. De menselijke bewoners zitten binnen.

Mij is angst aangejaagd door een huisgenoot: ‘De rat klimt langs de regenpijp omhoog  of komt ons via het dak tegemoet.’ Gelukkig is mijn kamer  — onder het dak — voorzien van luiken. Bij geopende ramen maar gesloten luiken in de nacht blijft de rat van mij af.

Toch kon ik de slaap  na die broederlijke mededeling niet vatten en bleef onrustig tot de ochtend. Omdat uithongering agressiviteit bevordert, zat ik in de rats en bleef in de macht van de rat. En niet alleen toen.

Teder aan het gras of het groen is dat de natuur Rome probeert te veroveren. Niet bevalt mij het in bezit nemen van de Stad door de rat. Van een blaffende hond ben ik geen vriend, nog minder van een ‘blaffende’ man, maar voor de rat ben ik bang — mèt en zonder aanwending van het verstand.

Bij navrage in huis krijg ik laconieke antwoorden: ‘Die ratten, die komen hier niet.’ ‘Als er een rat binnenkomt, dan slaan we die dood.’ ‘Ratten kunnen niet hoog springen.’ ‘Ratten hebben meer angst voor ons dan wij voor hen.’

Dat moge allemaal zo zijn.

Een twaalftal jaren geleden was hier eens een rat in het college. Hij liep voor mij uit de trap af — op afstand, dat wel — en even later hoorde ik van beneden een luide schreeuw. De rat is toen  meteen gedood, ‘afgemaakt’, zegt men. Ook toen was de reactie dezelfde: ‘Ja, als de deur openstaat, dan kan zo iets gebeuren’ en ‘Neen, verder onderzoek in huis is niet nodig’.

Toen evenmin als nu behoeft de rattenvangersdienst van Rome te worden uitgenodigd  langs te komen, al was het nu maar voor aan de overkant van de straat.

In de angst voor de rat sta ik in de Anima apart.

Wie is de rat? Een schepsel Gods, een knaagdier. Niettemin zou ik Noach hebben bezworen de rat niet in tweevoud (m/v) mee te nemen in de ark, nu het verbond van God met ons een nieuwe aanvang zou maken. Maar de rat is gebleven en heet een intelligent dier dat rap nageslacht verschaft.

In verhalen en verdichtsels blijkt hij immer slecht. Wie een ander een rat noemt, maakt geen compliment. Het is de rat die de pest in 1348 via Genua en Venetië naar Europa heeft gebracht. Het is de macht van de rat die mij ook in corona-quarantaine zoekt te beheersen.

Hoe goed, dat God bestaat en ons hoedt voor de ratachtigen en ook voor de rat.