Antoine Bodar

Dienen is ook duiden en verschaffen van beschutting.

header-05.jpg
 
Warning: array_shift() expects parameter 1 to be array, boolean given in /var/www/vhosts/antoinebodar.nl/httpdocs/wp-content/themes/antoine_bodar/single.php on line 14

A-Historisch denken

23 april 2020 |  Antoine Bodar

Terwijl in de corona-crisis menigeen het boek ‘La Peste’ uit 1947 van Albert Camus opslaat, was dat een jaar geleden het boek ‘Notre Dame de Paris’  uit 1831 van Victor Hugo.

Toen betrof het Notre Dame als Godshuis in  stevige verbindingen met Frankrijk’s  geschiedenis — de Parijse bisschopskerk als nationaal en zelfs nationalistisch symbool, ook al is die van Reims om koningskroningen historisch belangrijker, die van Saint Denis om koninklijke bijzettingen indrukwekkender, die van Laon intiemer, die van Beauvais hoger en die van Chartres schoner.

Nu betreft het de toepassing van de menselijke reactie op de pest toen zoals op het virus nu — aanvankelijke ontkenning en onderschatting, latere verontrustig en bestrijding. Toen op geen onheil voorbereid, nu evenmin. Ziekten overvallen de mens, schudden hem wakker en doen hem verbijsterd staan.

In diepere zin ziet Camus de ene mens voor de andere als de pest, zoals Sartre de ene voor de ander als de hel beschouwt — broeders in hetzelfde existentialistische atheïsme.

Het essay in drie delen van Bas Heijne met als titel ‘Mens/onmens’ (2020) draagt een motto waardoor de schrijver zichzelf terstond passend inleidt. Het is ontleend aan Camus: ‘[…] Waar het mij omgaat, is erachter te komen, hoe je moet leven. En meer precies, hoe je kunt leven wanneer je niet in God gelooft én niet in de rede.’

In het eerste deel bespreekt Heijne ‘twee grote, hedendaagse obsessies: waarheid en identiteit. Wat is waar, wat wil je dat waar is? Wat geloof je, wie zijn we?’  Het door toedoen van de brand in Notre Dame gevoerde debat over de toekomst van het gebouw beschouwt hij daarvan ‘slechts een symptoom’.

Mijn pleidooi om de kathedraal om haar functie van huis van God te laten behouden inclusief  de handhaving van het aldus historisch gegroeide uiterlijk van de kerk brengt de schrijver terug tot ‘een klaagzang over een wereld waarin geloof op tragische wijze het veld heeft moeten ruimen voor een leeg, zogenaamd rationeel, hoogmoedig mensbeeld. Een gebeurtenis — een brand in een historisch monument — wordt tot een symbool gemaakt van een wereld waarin geen plaats meer is voor geloof […]’

Mijns inziens is Notre Dame niet zo maar een monument maar een kerk, ja, ‘een gotisch godshuis’, zoals Heijne mij meer keren aanhaalt. Het is mijn overtuiging dat het christelijke geloof niet zijn tijd heeft gehad, zoals de essayist meent. Wel zie ik de heden gevoerde discussie als een teken van een toenemend a-historisch denken, deels door lieden die God overbodig verklaren maar vergeten dat belijdende christenen nog altijd een vitaal deel van de bevolking uitmaken en dat derhalve hun recht op de Parijse kathedraal gegund mag blijven. Het is hetzelfde gebrek aan historisch denken, zelfs de negering ervan, dat blijkt uit het weglaten van christelijke wortels uit de prae-ambule van de Europese grondwet, als zou Europa geen christelijk verleden kennen. Over waarheid gesproken.

In het derde deel — het titel-opstel — noemt Heijne identiteit ‘poreus’, maar zo iets  doet zich voor. ‘Het is een constructie, zeker, net zoals “Notre Dame” een constructie is. Constructies zijn producten van onze verbeelding, maar ze zijn ook echt […] We hebben beelden, constructies, nodig om te kunnen leven.’

De opening van de Bergrede — de Zaligsprekingen (Mt 5,1-12) — leest de schrijver als zo’n beeld,  ‘als een existentiële aansporing’, ‘als een radicaal pleidooi voor de menselijke ervaring’: ‘Juist de ervaringen die ons het meest pijn doen en ons ongelukkig zouden moeten maken, zijn de ervaringen die ertoe doen, die ons bewust maken en ons in staat stellen inzicht in onszelf en het leven te krijgen.’ En dit is Heijne’s  gevolgtrekking uit die tekst: Jesus lijkt te zeggen dat een mens ‘die zijn eigen opvattingen, zelfs zijn eigen “identiteit”, niet wil bevragen, niet echt een waardevol leven leidt — niet echt mens is, eerder een onmens. Zelfverlies is een manier om zinvol te kunnen leven’.

Wat is mijn gevolgtrekking uit deze les van Bas Heijne? Is hij welicht een ondergedoken ‘chrétien’, zij het ‘incroyable’? Zelfs de smaad van de niet gelovende christen wil ik hem niet aandoen. Niettemin heeft de essayist een ware wijsheid uit de schatten van het christendom te voorschijn gehaald.

Het christendom is niet voorbij en maakt niet minder deel uit van het hedendaagse leven dan menigeen uit de jonge traditie van het nieuwe atheïsme vazelfsprekend vindt.