Antoine Bodar

Leven is louter dienen.

header-05.jpg
 

Rome en Reformatie

29 maart 2008 |  Antoine Bodar |  Nederlands Dagblad

George Puchinger heb ik één keer ontmoet. Dat was tegen Kerst 1995 in het Bijbels Museum,
toen mij was aangezegd de kerk waar ik celebreerde en preekte (De Krijtberg in Amsterdam) te verlaten. ‘Afgunst’, vatte Puchinger kort samen om meteen te vragen of ik zijn interviewboeken kende. ‘Een paar heb ik in mijn kast’, reageerde ik. ‘Laat mij dan weten welke; de rest stuur ik u.’ Daarvan is het toen niet gekomen en nu is Puchinger al negen jaar dood.
Nu evenwel heeft de antiquaar Ton Bolland mij alsnog zo’n toen ontbrekend interviewboek van hem als geschenk gegeven. Om meer reden een zilveren boek. Spreken immers is zilver. Gesprekken over Rome— Reformatie is de titel, in 1965 verschenen bij Meinema in Delft en mijns inziens geschikt voor een herdruk nu. Waarom? Om wille van de geschiedenis enerzijds en om wille van de huidige stand tussen Rome en Reformatie anderzijds. Daarenboven is het aangenaam van beschaving in rake toon gesteld.
Na lezing blijkt dat misverstanden van toen aan hardnekkigheid weinig hebben verloren. De interviews met in die dagen vooral vooraanstaande theologen dwingen ons ook nu over en weer tot bescheidenheid. Rome en Reformatie blijken nog steeds klaarblijkelijk te verdedigen vestingen – in weerwil van oekumene van hart of spiritualiteit, in weerwil van welwillend gezamenlijk zoeken naar de ene waarheid die Christus alleen is. Terwijl protestanten als die van Nederlands Dagblad en Reformatorisch Dagblad toch altijd het gelijk aan hun zijde weten, blijven katholieken als ik ervan overtuigd dat de ene Kerk ten spoedigste gevonden moet worden en dat van dat zoeken naar eenheid het best Rome uitgangspunt blijft. Met het gelijk van de Protestantse Kerk Nederland ligt de zaak eniger mate anders. De PKN lijkt genoegen te nemen met de eenheid van organisatie, maar daarom is het mij slechts in uiterst afgeleide zin te doen.
‘Terug dus naar Rome?’, hoor ik al verwijtend mopperen. Neen, niet zonder meer, als zouden wij het gelijk aan onze zijde kunnen hebben – want dat hebben de protestanten al – maar omdat Rome inmiddels zo veel van Reformatie heeft geleerd en zo vaak schuld heeft beleden omtrent zondigheid in verwereldlijkt leven van ambtsdragers, zoals toendertijd aflatenhandel, simonie en dergelijke, dat wij nu durven zeggen: Komt toch terug naar ons. Sluit u opnieuw aan bij de Moederkerk. Overwint uw vooroordelen. Laat u beter informeren. Katholiek is zo gek nog niet. Wij allen immers staan onder het ene Woord Gods, de Bijbel. Of om conciliepaus Joannes XXIII aan te halen: ‘Wij willen het huis verbeteren en de bruid versieren – in de hoop dat dan ook de protestanten zullen komen.’ Daarbij voegt zich deze vraag: Hoe rijmt u toch die eindeloos binnen de Reformatie onderlinge afscheidingen op grond van eigen gelijk met Jesus’ uitdrukkelijke wil dat alle Christenen één zouden zijn – niet later eens maar nu? Tot Christen zijn behoort naast persoonlijk geloof gezamenlijk geloof in gemeenschap. Eerst samen kunnen wij als Christen werkelijk Kerk zijn – wij de leden en Hij het hoofd (cf. Ef 1,22) – en zo volledig Christen. Dus niet louter persoonlijk in binnenkamer of in eigen kerkelijke groepering maar zowel persoonlijk als gezamenlijk binnen het ene volk Gods, binnen de ene communio die Christus Zelf heeft gewild en blijft willen.
Hoe heidenen en anders gelovigen te overtuigen, wanneer wij Christenen zelf onderling verdeeld blijven en allerlei lieden onder ons telkens weer het gelijk aan eigen zijde blijven weten? Puchinger’s boek ontstaat en verschijnt ten tijde van de de laatste fase van het Tweede Vaticaans Concilie. De Kerkvergadering komt telkens ter sprake en ademt daarvan sfeer en verwachting. Mede als gevolg van wederzijds betere voorlichting vordert de oekumene, zo in het openingsgesprek Bernardus kardinaal Alfrink, maar één van de grootste risico’s van de oekumenische activiteit is zijns inziens het gevaar voor relativering. Terwijl gereformeerden en katholieken elkaar begrijpen in hun houding jegens de Bijbel, verstaat men in niet-gereformeerde kringen van de Reformatie onder oekumene ‘soms meer een federatief samengaan, en vergeet men mogelijk wel eens dat het toch werkelijk moet gaan om een échte eenheid inzake het geloof’.
Naast Alfrink heeft Puchinger nog zeven katholieken ondervraagd, één atheist en voorts negen protestanten, van wie Karl Barth verwondering over de verdeeldheid onder zijn Nederlandse geloofsgenoten geenszins verbergt: ‘Wanneer er drie Hollanders bijeen zijn, kan men zeggen, stichten ze twéé kerken. Toen ik in Nederland was ben ik ook in Kampen geweest. Daar zijn nu al weer twee theologische hogescholen, die vroeger één waren.’ Daarbij laat Barth noteren ‘absoluut zeker’ ervan te zijn ‘dat Calvijn zich daar óók niet over verheugen zou!’ – Calvijn, van wie in 2009 ook het vaderland in alle Calvinistische verdeeldheid het vijfhonderdste geboortejaar viert.
Puchinger’s boek is interessant gedateerd waar het opsluiting in eigen zuil aangaat. Want hij vraagt protestante geinterviewden of zij ook katholieken kennen en omgekeerd. De muren van de zuilen blijken nog zo hoog dat protestanten amper katholieken kennen en katholieken amper protestanten. Terugkerende onderwerpen zijn vooral oekumene en ekklesiologie, verder Maria, liturgie, spiritualiteit en antipapisme. Hieromtrent merkt P.J. Roscam Abbing op ‘dat er geen woord tegenover de term antipapisme bestaat, hoogstens de term contra-reformatie, maar dat is toch een veel zakelijker aanduiding’. Niettemin is Rome zijns inziens ‘Babel’ – ‘een al te menselijke eenheidsorganisatie’, maar Reformatie dan toch ‘de spraakverwarring’ – ‘treurig, al die kerkjes’.
Wat staat in 1965 toenadering tussen Rome en Reformatie het meest in de weg? De ekklesiologie – het kerkbegrip. Daarin is Karl Barth het eens met Hans Küng. ‘De Kerk kan bij “Rome” als het ware geen moment “tegenover” Christus gesteld worden.’ Daarbij voegt zich dat protestanten zich zelf ervaren als preekkerk en katholieken begrijpen als sacramentskerk. Voor hen staat in de Romana de Eucharistie te zeer in het middelpunt. Daarmee verbonden dan het ambt.
‘Zij [katholieken] hebben zo’n uitgesproken leer over de Kerk, waar wij [gereformeerden] absoluut afwijzend tegenover staan, absoluter dan wie ook. Hun ekklesiologie is voor de gereformeerde mens onaanvaardbaar. Hoe gereformeerder, hoe onaanvaardbaarder.’ Aan het woord is H.N. Ridderbos, ‘een potig man’ in de beleving van Puchinger. ‘Het gereformeerde kerkbegrip verdraagt zich niet met Rome, ondanks alle geestelijke verwantschap.’ F. Haarsma vanuit de katholieke theologie vraagt zich af: ‘Is de Kerk werkelijk middel en gestalte, waadoor het Heil tot ons komt (Rome) of primair een bijeenkomen van mensen die het Evangelie geloven (Reformatie)?‘Zijn de ambtsdragers van Christus en de Heilige Geest werkelijk gevolmachtigd het Heil door te geven (Rome) óf staan ze zelf eigenlijk buiten die volmacht (Reformatie)?’ ‘Schakelt God de mens werkelijk in in het Heilsproces (Rome) óf gaat het buiten de mens om (Reformatie)?’
Na zo veel jaren lijkt in dit opzicht weinig vordering in toenadering gemaakt. Op het concilie met de wijd open ramen wordt de Kerk zelf aangeduid als sacrament (cf. LG 1) – Christus is oersacrament en de Kerk grondsacrament waaruit om zo te zeggen de zeven sacramenten voortvloeien met als voornaamste Doop en Eucharistie. De Kerk komt voort uit de Eucharistie, zo Joannes Paulus II in de encycliek Ecclesia de Eucharistia van 2003 – tevens beknopte samenvatting van Romeinse ekklesiologie. Anderzijds kan Rome in het geheel niet worden afgedaan als sacramentskerk zonder meer. Zij is geenszins minder preekkerk. De eerste taak van de priester immers is de verkondiging van Gods Woord (cf. PO 4). De door Haarsma genoemde tegenstelling tussen Rome en Reformatie is volgens mij scherp getekend uit het protestante ofof- denken in plaats van uit het katholieke en-en-denken. Het geschrift Dominus Iesus, ondertekend in 2000 door Joseph Ratzinger, is in de zomer van 2006 nog eens bevestigd. Daarin vraagt Rome Reformatie uitdrukkelijk na te denken over het katholieke kerkbegrip. Zo veel blijft zeker – om misverstand te vermijden en troost te bevorderen: Christus kan nooit samenvallen met de Kerk zoals een bruidegom nooit dezelfde kan zijn als zijn bruid. Daarenboven verstaat ook de Romana zich geenszins als staand voor maar als verwijzend naar het Rijk Gods en dat slechts in aanvang verwezenlijkend en als bruid – niet als ‘eenheidsorganisatie’ – in trouw aan haar bruidegom Christus.
Zowel onder katholieken als onder protestanten blijft de oekumene van het hart als roeping de ene Kerk te verwezenlijken. Dat is ons aller taak. Dat evenwel kan alleen met de genade Gods, uit Zijn genade als gave. Zelf zijn wij Christenen te zeer gebroken en wij dragen onze geloofsschatten niet minder maar meer in al te broze potten (cf. 2 Kor 4,7;12,9). Sola gratia. Het past dus te bidden samen met Christus in Zijn hogepriesterlijke gebed (cf. Jo 17,21): ‘Mogen zij – wij dus – allen één zijn, opdat ook de wereld eindelijk kan geloven dat wij in onderlinge eenheid Christus toebehoren.’
Tijdens de liturgie in de Petrusbasiliek op Goede Vrijdag van dit jaar 2008 heeft de prediker van het Pauselijke Huis, de Capucijn Raniero Cantalamessa, de beoogde eenheid van Christus’ Kerk overwogen op grond van Joannes 19,23-24: ‘Nadat de soldaten Jesus aan het kruis hadden geslagen, namen ze Zijn bovenkleed en deelden dat in vieren – voor elke soldaat een deel. Ze namen ook Zijn onderkleed dat van bovenaf geheel doorweefd en naadloos was. Ze zeiden daarom tegen elkaar: “Laten we dat niet scheuren maar erom loten wie het krijgt.” Zo moest zich de Schrift vervullen (Ps 22,19): “Zij verdeelden onder elkaar Mijn kleed en dobbelden om Mijn gewaad.”’
Het niet te scheuren onderkleed van Jesus symboliseert de eenheid van de leerlingen. Cyprianus in de derde eeuw (cf. De unitate Ecclesiae 7) schrijft dat het mysterie van de eenheid van de Kerk daar in het Evangelie tot uitdrukking wordt gebracht waar geschreven staat dat het onderkleed van Christus noch gedeeld noch gescheurd werd. Het van bovenaf doorweefde onderkleed beduidt de door Christus gebrachte eenheid die van van boven, van de hemelse Vader komt en dus niet anders als geheel gehandhaafd blijft. Het wel verdeelde bovenkleed beduidt slechts de door mensen in uiterlijkheid verdeelde Kerk maar niet haar innerlijkheid . Hoe immers zou Christus kunnen worden gedeeld (cf. 1 Kor 1,13)? Niettemin dient ook de uiterlijke eenheid als teken – opdat de wereld gelooft, zo Cantalamessa. De Heilige Geest leidt over institutionele oekumene heen tot geestelijke oekumene die ontstaat in berouw, vergeving, gebed. Hoe tot waarheid anders te geraken dan door liefde – naar Augustinus (cf. Contra Faustum 32,18)?
Aanleiding mij Puchinger’s boek uit 1965 te schenken was het daarin opgenomen interview met Joseph Ratzinger, hier in de Anima te Rome afgenomen ‘op een snikhete zondagmiddag’: ‘Ratzinger was tijdens dit gesprek als altijd: rustig luisterend naar vragen die hem gesteld werden, vervolgens even nadenkend, daarna rustig sprekend en zijn antwoord zo helder formulerend en uitsprekend, alsof hij aan een zetter een pagina van een reeds geschreven boek dicteerde.’ Michel van der Plas blijkt de ‘progressieve theologen op het jongste concilie te hebben getypeerd. Hij raadt aan Karl Rahner of Hans Küng te kiezen maar Puchinger was toch meer geboeid door Van der Plas’ typering van de huidige paus: ‘Ratzinger een stil water met misschien de diepste grond van allen.’ Puchinger rekent Rahner reeds tot de vorige generatie en vergelijkt de beide anderen zo: ‘Terwijl Küng een aangeboren vrijmoedigheid bezit, wordt Ratzinger vóór alles gekenmerkt door een bescheidenheid die niet bedriegt. Zou de strijdbare Küng volgens velen met Savonarola, de aardse hemelbestormer, te vergelijken zijn, Ratzinger doet mij altijd denken aan de stille, teruggetrokken miniaturenrijkdom van Frater Angelicus.’
Ratzinger’s bescheidenheid wordt in het boek ook door twee andere geinterviewden opgemerkt: F. Haarsma leerde hem kennen in Rome en ‘had aanvankelijk niet eens door wie het was – zo eenvoudig en bescheiden is hij’. En: ‘Wat een bescheidenheid. Daarin uit zich nu de ware wetenschapsman.’ Zo J.R. van de Fliert. ‘Hij zegt heel goede dingen en merkt er dan tevens nog bij op: ik kan er eigenlijk nog niet voldoende over oordelen.’
‘Drie uur zat hij tegenover mij’, herinnert zich Puchinger Ratzinger, ‘en hij beantwoordde mijn vragen met een rust die niets te verbergen had en met een openheid die alleen kan bestaan wanneer werkelijke geleerdheid samengaat met zuiver mens zijn’. En wat is Ratzinger’s oordeel over de Reformatie? ‘Ik ben ervan overtuigd dat de Reformatie een positief religieuse doorbraak was. Er was in het kerkelijk apparaat van die tijd verstarring en verharding waar te nemen. Ik ben er vast van overtuigd dat er – en dat is vooral bij Luther zo duidelijk – een werkelijk religieuse nood was; er was een worstelen om de zuiverheid van het Evangelie. Daarbij ziet men bij Luther enerzijds, vooral in zijn vroege geschriften, een streven zijn worsteling te volbrengen binnen en in gehoorzaamheid aan de Kerk. Anderzijds valt te constateren dat het Luther niet gelukt is deze gehoorzaamheid streng door te voeren.’ Al blijft dit begrijpelijk, toch stelt Ratzinger in Luther een innerlijke breuk vast: ‘Ik betreur dat de Reformatie door deze gang van zaken geen vernieuwing meer kon brengen binnen maar slechts buiten de Rooms-Katholieke Kerk van die eeuw, waardoor Luther en zijn oorspronkelijk bedoelde reformatie het eigenlijke doel niet bereikten: de zuivering van de gehele in West- Europa toen nog ongedeelde Kerk.’