header-05.jpg
 

Paus Adriaan VI – Calvinist nog voor Calvijn

7 maart 2009 |  Antoine Bodar |  Trouw

Paus Adriaan VI is vijfhonderdvijftig jaar geleden , op 2 maart 1459, in Utrecht geboren. Tot nu toe de enige opvolger van Petrus, afkomstig uit de Lage Landen. Tot de keuze van Karol Wojtyla uit Polen in 1978 de laatste niet-Italiaanse paus.
Een Nederlandse paus? Vanzelfsprekend, menen Nederlanders. Geenszins, menen Duitsers. De Nederlanden bestonden toen nog niet als zelfstandige natie maar maakten deel uit van het Heilige Roomse Rijk. Adriaan, gekozen in 1522, is de zevende Duitse paus (en Joseph Ratzinger, gekozen in 2005, de achtste).
Waarom deze zoon van Utrecht te gedenken? Slechts een twintigtal maanden is hij paus geweest – hier in de Eeuwige Stad toen spoedig hoogst ongeliefd, even onbuigzaam als onkreukbaar, een barbaar uit het noorden die schraapzuchtig heette, naar verluidt uit zuinigheid bier dronk en vis at en Latijn alleen onwelluidend wist aan te wenden. Rome begreep Adriaan niet en Adriaan Rome niet. De Stad bleef Adriaan vreemd waarin Adriaan vreemdeling bleef.
Zou hij nu, in het vijfhonderdste geboortejaar van Calvijn, de zo genoemde Calvijn-test doen, ‘ontwikkeld’ door het dagblad Trouw in samenwerking met de Vrije Universiteit, Adriaan zou als bekwaamste calvinist in ons momenteel om de hervormer juichende vaderland te voorschijn treden. Niet alleen omdat in de proef alles wat goed en edel en eerlijk is calvinistisch wordt genoemd. (We hebben dan ook te doen met sociologie.) Maar ook en veeleer omdat Adriaan van natuur en van hart rechtlijnig was en wilde zijn. De Latijnse mentaliteit is hem vreemd gebleven, de Germaanse (waartoe ook te rekenen de Nederlandse van toen) werkelijk eigen.
Zo kan het al reden zijn Adriaan als calvinist avant la lettre te vieren. Maar veel meer nog verdient hij gedachtenis omdat hij zich als paus op drie beleidspunten poogde te richten die ook heden vanuit het perspectief van de Wereldkerk overweging verdienen: de Islam, de Reformatie, de Romeinse curie. Maar vooreerst het leven van Adriaan tot aan zijn keuze tot plaatsbekleder van Christus op aarde en de omstandigheid waardoor hem die hoogste eer in de nog ene Kerk van het westen is ten deel gevallen.
I
Adriaan Florenszoon Boeyens zag het levenslicht in de Utrechtse Brandstraat. Zijn vader, die een timmerbedrijf voerde, stierf toen de toekomstige paus ongeveer tien jaar oud was. Van de vermoedelijk drie zoons bleek Adriaan de vroomste, in vroomheid aangemoedigd door zijn moeder. Na de Latijnse school in zijn geboortestad vervolgde hij zijn opleiding bij de Broeders des Gemenen Levens te Zwolle. In 1476 begon Adriaan zijn studies aan de Universiteit van Leuven. Eerst artes liberales (vooral wijsbegeerte) en vanaf 1478 theologie, een bezigheid die hij combineerde met doceren aan de faculteit waar hij magister artium was geworden. In 1490 priester gewijd en het jaar daarop gepromoveerd, bleef Adriaan nu tot 1515 hoogleraar te Leuven met tal van ambten die daartoe behoorden. In die tijd schreef hij drie theologische werken.
Wegens zijn goede naam als degelijk en vroom priester en geleerd en ijverig professor benoemde keizer Maximiliaan hem in 1507 tot paedagogus van diens kleinzoon Karel V. Deze benoemde hem in 1512 tot zijn raadsheer en zond hem drie jaar later als zijn gezant naar Spanje. Oogmerk daar was de erfopvolging van Ferdinand ‘de Katholieke’ voor Karel veilig te stellen – dit in vruchtbare samenwerking met de staatsman ter plekke, kardinaal Ximenez de Cisneros. Waarschijnlijk op diens voordracht werd Adriaan in 1516 benoemd tot bisschop van Tortosa en in 1517 op verzoek van Karel verheven tot kardinaal. Vanaf later in dat jaar voerde Karel zelf de regering in Spanje – tot 1520, toen hij weer vertrok en zijn raadsheer Adriaan achterliet als regent. Die periode van bewindvoering kenmerkte zich door opstanden. De Spanjaarden aanvaardden hem niet of nauwelijks: Adriaan was niet een van hen, geen Spanjaard. Op 22 januari 1522 bereikte hem het bericht dat hij op 9 januari daaraan voorafgaand tot paus was gekozen. Onbewogen en alleen uit plichtsbesef zou hij de keuze hebben aanvaard.
De figuur van Adriaan is het treffendst getekend als kind van de Moderne Devotie, waarvan hij de invloed alleen al in zijn Zwolse jaren heeft ondergaan. Deze hervormingsbeweging van vooral leken is ontstaan in de veertiende eeuw te Deventer door toedoen van de diaken Geert Grote en weldra verspreid langs de Hanzesteden van Noordwest-Europa. Zij verzet zich zowel tegen de verloedering van de clerus als tegen de verruwing van de zeden en wekt op tot verinnerlijking van het christelijke geloof door ernstig en eenvoudig leven in soberheid en bescheidenheid, door toeleg op bidden en Bijbel en het met eerbied naderen tot de Tafel des Heren. De priester Thomas van Kempen heeft de practische vingerwijzing van de Moderne Devotie uiteengezet in vier tractaten die samen het boek De Imitatione Christi vormen – de Navolging van Christus, voor het eerst gedrukt in 1471-1472 en nadien talloze malen herdrukt tot op de dag van heden.
Adriaan moet geleefd hebben naar deze wenkingen en daarin heeft hij ook troost gevonden. Zo leert Thomas dat tegenspoed ons tot bezinning brengt; want krijgen we tegenspraak en wordt over ons niet gunstig geoordeeld, dan kunnen we vordering maken in nederigheid en worden we behoed voor ijdele roem.
De tegenstelling toen tussen deze geestesgesteldheid en die in Rome is niet groter denkbaar. Geen verinnerlijking maar veruiterlijking, geen soberheid maar weelde, geen bescheidenheid maar praalzucht. Het centrum van de Moederkerk als wereldlijk hof met hovelingen en baantjesjagers die prebenden vergaren, aflaten verhandelen, ambten verkopen en nepotisme voor deugdzaamheid houden. In de Eeuwige Stad wordt het leven gevierd met optochten en maaltijden, terwijl de Muzen zich betuigen in muziek en architectuur, in dicht- en schilderkunst. Eenieder geniet van de herontdekte kunstschatten uit de Oudheid. De paus is absoluut vorst, de eerste en voornaamste van Europa – gemakkelijker te vinden op zijn paard om oorlog te voeren of op de steigers van Sint Pieter in aanbouw dan op de preekstoel of aan het altaar.
Wat was geschied, dat de keuze op de onbekende en ver wonende kardinaal Adriaan van Tortosa viel? Paus Leo X, Giovanni de’Medici, was plotseling gestorven op 1 december 1521. Samen met keizer Karel V en koning Hendrik VIII van Engeland vormde hij een liga tegen Frans I van Frankrijk. Dat verbond kwam met de dood van de paus in gevaar. In het conclaaf stonden twee onverzoenlijke groepen kardinalen tegenover elkaar. Frans I schermde zelfs met een schisma, indien een candidaat van de tegenpartij paus zou worden. Giulio de’Medici, de aanvoerder van die tegenpartij, aanvankelijk gedoodverfd als de aanstaande paus, zag in dat hij niet voldoende stemmen zou halen. Karel’s gezant in Rome opperde Adriaan’s naam en Giulio stelde voor hem als buitenstaander bij afwezigheid te kiezen wegens zijn eerbiedwaardigheid en zijn algemene roep van heiligheid. Het zou evenwel acht maanden duren voordat Adriaan op 31 augustus in Rome kon worden gekroond. Want wat wrook zich hier eens te meer bij deze pauskeuze?
Als ‘onderkoning’ van Spanje moest hij eerst staatszaken afhandelen en overdragen. Voorts heerste de pest af en aan, waren de wateren onveilig door zeerovers, moest eerst een vloot worden bijeengebracht èn wilde Adriaan onafhankelijk blijven van de onderling twistende Europese vorsten – reden om zelfs Karel niet meteen al te ontmoeten. Want met name de keizer was er moeiteloos van uitgegaan dat Adriaan tot de liga zou toetreden. Had hij hem niet tot kardinaal en paus gemaakt? In Rome ging zelfs de mare dat de keizer nu paus en de paus nu keizer zou zijn. Maar Adriaan zwichtte niet en zag ten aanzien van Europa van meetaf aan als eerste taak de onderlinge vrede te bewerkstelligen om dan gezamenlijk het Turkengevaar te keren. Hoe veel meer zou hij hebben kunnen doen, als het pausschap niet verbonden zou zijn geweest met wereldlijke macht – een situatie die nog zou voortduren tot het ontstaan van de Italiaanse staat en daarmee de opheffing van de Pauselijke Staat in 1870.
Hoe veel groter wordt gezag, wanneer macht achterwege blijft.
II
Onderweg naar Rome landt Adriaan met zijn gevolg onder meer in Livorno – om veiligheid wordt de zeereis langs de kust afgelegd. Daar begroeten hem vijf Toscaanse kardinalen. Zij willen hem het zilveren gerei schenken waarmee de maaltijd is versierd. ‘Hier treden kardinalen als koningen op’, berispt de paus, ‘verwerft u liever schatten voor de hemel’. In Ostia aangekomen, hebben kardinalen voor hem een feestelijke dis doen bereiden. Adriaan weigert aan te zitten, geeft de voorkeur eraan alleen te eten en bestijgt nadien onmiddellijk een muildier dat hem naar de Benedictijner abdij van de Romeinse basiliek Sint Paulus buiten de muren zou brengen. Daar zou hij zich twee dagen vóór zijn kroning in Sint Pieter het kardinalencollege laten voorstellen. Schokkend moeten de eerste ontmoetingen op Italiaanse bodem met de paus zijn geweest. Zijn eerlijkheid staat buiten kijf, maar zijn noordelijke rechtlijnigheid om niet te zeggen Hollandse botheid moet de hem ontvangende waardigheidsdragers hebben ontriefd. Adriaan, de barbaar. Zo wordt hij ervaren. Maar dat niet zonder eerbied. Zijn ongewone verschijning maakt indruk: ‘Zijn gezicht is lang en bleek, zijn lijf mager, zijn handen sneeuwwit, zelfs zijn glimlachen heeft iets ernstigs’, aldus een ooggetuige, ‘ik zou gezworen hebben dat hij monnik is geweest’.
Adriaan’s vastberaden strengheid baart meteen opzien. Wapens dragen wordt onmiddellijk verboden en liederlijke personen moeten de Stad verlaten. Priesters wordt niet langer toegestaan een baard te dragen, opdat zij er niet langer als soldaten zouden uitzien. Prelaten en hovelingen van Leo X morren heimelijk. Velen komen zonder inkomsten, omdat Adriaan de hofhouding inkrimpt tot enkele naaste medewerkers. Zijn voorganger heeft hem alleen schulden en beleningen nagelaten en dus de schatkist leeg. Maar evengoed wekt hij bewondering om zijn voorbeeldig leven, zijn eenvoud, vroomheid, gevoel voor rechtvaardigheid. Elke dag draagt hij de Heilige Mis op – in Rome toen geenszins nog gebruik – en hij bidt het Brevier. Ondanks de telkens terugkerende pest blijft hij gestaag in Rome, terwijl kardinalen de Urbs ontvluchten. Anderzijds betreuren de Italianen het dat hij de eenzaamheid bemint, studeert, zwijgzaam en afgemeten is en vooral een vreemdeling, daarenboven zo niet besluiteloos dan toch langzaam in besluiten. Mettertijd verdwijnt alle sympathie voor de vreemde paus en wordt hij eens te meer en alom voorwerp van spot en haat. Al hetgeen de Romeinen tot het aangename leven rekenen keurt de noorderling af en de met trots opgegraven sculptuur uit de Oudheid doet hij af als resten van voorbij heidendom. De Renaissance ontgaat hem. Het Vaticaanse hof is veranderd in een streng klooster. Zo de klachten.
Bezorgt de wereldlijke levenswijze van de geestelijkheid Adriaan veel zorgen, meer nog doen dat de dreigende Islam en de Lutherse ketterij. Sedert de val van Constantinopel in 1453 bedreigen de Moslims, dat wil zeggen de Turken, Europa en dus de Christenheid. Zaak is dus met vereende kracht macht te maken. Maar ook tijdens het korte pontificaat van Adriaan zijn de Europese vorsten onderling te zeer slaags om zich te verenigen en samen de bedreiging af te weren. Zouden zij onderling als christenheersers vrede sluiten, zij zouden het eiland Rhodos kunnen beschermen en zo ook het gebrekkig weerbare Hongarije. Kan de paus boven de partijen blijven en daarmee voor elke aanvaardbaar, hij kan zijn taak als vredestichter binnen Europa vervullen.
Nu de Turken in 1521 Belgrado hebben veroverd, zetten zij in op Rhodos. Ze verklaren de oorlog aan de Johannieters die het eiland beheersen. Hulp van de Europeanen blijft uit. Rhodos valt op 21 december 1522. Het bericht aanhorend roept Adriaan met tranen in de ogen uit: ‘Arme Christenheid. Ik zou tevreden sterven, als ik de vorsten tot weerstand had kunnen verenigen.’ De Moslims zouden nu het oostelijk bekken van de Middellandse Zee gaan beheersen en daarmee ook Italië nog eens kunnen aanvallen. Ook Hongarije zou later, in 1526, de nederlaag lijden tegen het Ottomaanse Rijk, maar de Turkse belegering van Wenen drie jaar nadien is teruggeslagen. Het is Adriaan niet gelukt de vorsten alsnog te verenigen ondanks zijn aandringen op een onderlinge wapenstilstand. Na verraad van de zijde van Frankrijk dat voornemens blijkt Italië binnen te vallen treedt hij zelfs kort voor zijn dood toe tot de Duits-Engelse liga – een defensief verbond, allereerst om het gevaar van de Turken het hoofd te bieden.
Na bijna vijf eeuwen spreken we nu niet meer van gevaar van buiten Europa, evenmin van bedreiging van binnen Europa. Wat toendertijd moslims gewapenderhand niet is gelukt, gebeurt nu vreedzaam. Wij hebben hen uitgenodigd als gastarbeiders en zij zijn gekomen. De ‘ongelovigen’ van toen zijn niet minder Europeaan meer dan wij – met dezelfde rechten en dezelfde plichten. Zij blijken in het algemeen heden meer gelovig dan de met name in Noordwest-Europa tot een veelkleurig heidendom teruggekeerde mensen – de nog overgebleven christenen daar gelaten. Christelijk Europa heeft haar gezicht zo niet verloren dan toch wel bedekt.
Sinds het Tweede Vaticaans Concilie omhelst de Kerk van Rome volledig de godsdienstvrijheid en zij weet andere godsdiensten te waarderen, waarin haars inziens immers ook delen van de waarheid aanwezig kunnen zijn (cf. LG 16 & HD) . Ten opzichte van de Islam is zij zich ervan bewust dat ook de Moslims de ene God aanbidden en zich beroepen op aartsvader Abraham. Wat de ethiek aangaat staan orthodoxe Christenen niet steeds al te ver af van hetgeen ook Moslims proberen na te streven (cf. NA 3).
Merkwaardig blijft, dat elke Europeaan zich in de tijd van Adriaan met fierheid christen durfde noemen, ook al was de practijk van dat geloof nogal eens lauw en slordig. Het humanisme heeft de Europese cultuur verrijkt en is pas in de veel geroemde maar stilaan ingeslapen Verlichting door wakkere agnosten of liever atheisten ontdaan van zijn samengaan met het Christendom. Maar dat heden menig Europeaan zich niet eens meer wil herinneren dat het Christendom te maken heeft met de beschavingswortels van Europa moet toch gezien worden als ernstige mate van geheugenverlies. Zouden wij ons geheugen hieromtrent opfrissen, moslims zouden ons hier in het westen niet minder achten maar meer. Gelovigen laten zich door anders gelovigen beter volgen dan door ongelovigen.
Zou het voorts niet bijdragen aan Europese vereniging, eenwording en élan, indien wij zonder geideologiseer onze gezamenlijke geschiedenis onder ogen zouden zien en zouden beseffen dat Europa als geheel ook cultureel beter partij kan geven aan in economisch opzicht leiding gevende landen als de Verenigde Staten nu nog en weldra China en India? Sluiten wij ons niet nog nader aaneen, wij blijven steken in onderlinge kloverijen, die tot iets meer dan een halve eeuw geleden nog oorlogen hebben beduid, waarvan indertijd Karel V en Hendrik VIII en Frans I het benepen voorbeeld gaven.
III
Hoe stelt Adriaan VI zich op tegenover Luther en zijn groeiend aantal volgelingen in de Duitse landen? En wat is in zijn houding toen te leren voor ons die zijn geboortedag herdenken?
Vast staat dat de paus de zaak van de in 1521 door Leo X geëxcommuniceerde Augustijner monnik in volledig verband ziet met de trouweloosheid en de losbandigheid van de clerus in het algemeen en die van Rome in het bijzonder. Hoe Luther binnen boord van het ene schip van de Kerk houden zonder clerus en curie cordaat te hervormen? Adriaan zijn daartoe vele voorstellen aangereikt zowel van binnen de Urbs als van elders – daaronder het verzoek een concilie bijeen te roepen. Het zou met name uit moeten zijn met de verkoop van aflaten en de verhandeling van ambten. Kardinalen, bisschoppen en priesters zouden het voorbeeld moeten geven in Christelijk leven in plaats van in wereldlijke weelderigheid verkeren. Had Adriaan langer geleefd, hij zou de hervorming van de curie gestalte hebben kunnen geven. Zo het oordeel van welwillenden. Niet in hetgeen hij heeft bereikt maar in hetgeen hij heeft nagestreefd schuilt zijn betekenis. Met Adriaan immers heeft de Contra-Reformatie feitelijk een aanvang genomen.
Het gezegde Roma locuta, causa finita (Heeft Rome gsproken, dan heeft de zaak afgedaan) was toen vanzelfsprekender dan nu. Een zekere laatdunkendheid lijkt in die houding niet te ontkennen. Of hoe anders zo’n wijze van denken en doen te begrijpen? Hier presenteert zich de Kerkleer van Rome, de ekklesiologie, die toen nog begrepen bleef maar zich hedentendage slecht laat communiceren. Enerzijds is de Kerk het instituut met feilbare en zondige mensen maar anderzijds is zij evenzeer heilig als Christus’ bruid, als lichaam van Christus, als Gods volk onderweg, als grondsacrament verwijzend naar Christus als oersacrament. Beide facetten zijn te onderscheiden maar niet te scheiden, net zomin als Jesus als Godmens is te scheiden in Zijn goddelijkheid en in Zijn menselijkheid. Zo zijn bij voorbeeld de genadegaven die de sacramenten bereiden altijd geldig, hoe onwaardig de bedienaar daarvan ook kan zijn. De Kerk is objectief en vol gezag in haar van Godswege gekregen autoriteit maar tevens subjectief in de zwakten en zonden van Christus’ knechten in haar hierarchische structuur.
Een ketter heeft zich dus tegenover de autoriteit van de Kerk te verantwoorden en voorts te onderwerpen op straffe van de banvloek. Luther was wel nog eens ondervraagd op de Rijksdag van Worms en hij had zich verdedigd met de gevleugelde maar niet authentieke uitspraak ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. Maar Rome eist – zo benadrukt Adriaan in de breve die zijn gezant Francesco Chierigati daar in Worms bij afwezigheid van Luther op 3 januari 1523 heeft voorgelezen – dat inzake het goddelijk recht en met betrekking tot de sacramenten eenieder het gezag van de Kerk moet aanvaarden. Voorts is veel van hetgeen Luther meent reeds door verscheidene concilies veroordeeld. Niet in twijfel mag getrokken worden wat zonder twijfel door concilies en de gehele Kerk als behorend tot het geloof is goedgekeurd. Tot zover hier het pauselijke schrijven voor wat het Luther zelf betreft. Historisch en – zoals Joannes Paulus II het bij zijn bezoek aan Nederland in 1985 noemde – oekumenisch, is de bij de breve gevoegde instructie waarin Adriaan VI schuld belijdt – door velen toen veroordeeld, door enkelen toen gesnapt. De paus belicht die belijdenis in een drietal punten:
‘Wij bekennen openhartig dat God deze vervolging van Zijn Kerk toelaat om de zonden van de mensen, in het bijzonder van priesters en prelaten. Zonden scheiden ons van Hem. Daarom verhoort Hij ons niet. De zonden van het volk vinden haar oorsprong in de zonden van de geestelijkheid. Dat verkondigt de Schrift. Sinds tal van jaren zijn bij deze Heilige Stoel verfoeilijke zaken voorgekomen. Zo is de ziekte van het hoofd op de leden, van de paus op de prelaten overgegaan. Daarom moeten wij allen God eren en ons jegens Hem verootmoedigen.’ Na deze erkenning van schuld belooft de paus voorts verbetering: ‘Wij zullen ervoor ijveren eerst de Romeinse curie te hervormen. Daar wellicht heeft al dat kwaad zijn oorsprong gevonden.
Laat waarvandaan de ziekte zich heeft verspreid, nu de genezing aanvangen. Wij zien het als onze plicht deze dringend gewenste hervorming te bewerkstelligen. Maar laat tevens zich niemand erover verbazen dat niet meteen alle misbruiken uit de weg worden geruimd; want de ziekte is te diep ingeworteld en de kwaal is te veelvormig geraakt.’ Als derde punt bekent de paus liever in eenzaamheid te leven dan in openbaarheid met de tiara op het hoofd: ‘Alleen de vrees voor God en de wettigheid van de keuze en het gevaar voor een schisma hebben ons doen besluiten het opperherdersambt te aanvaarden. Wij voeren dit pontificaat uit niet uit heerszucht of om verrijking maar opdat de Kerk, Gods bruid, haar vroegere schoonheid terug krijgt.’
De Rijksdag heeft Adriaan’s mea culpa niet naar waarde geschat. De vergadering verdaagde zoals voorheen de uitvoering van het edict van Worms op grond waarvan Luther vervolgd zou kunnen worden. De adviseurs van de aanwezige vorsten waren reeds al te zeer gewonnen voor de ‘nieuwe’ godsdienst. Luther zelf liet naderhand niet na Adriaan te beschimpen met uitlatingen als ‘anti-Christ’ en ‘tyran, huichelaar, dienaar van Satan’.
Door het Concilie van Trente enerzijds en de Heidelberger Catechismus anderzijds zijn Rome en Reformatie eeuwen lang van elkaar onwetend gebleven, voor zover zij al geen bestendige vijanden waren. Zij weten nog steeds weinig van elkaar, al trachten zowel Rome als Reformatie sedert het Tweede Vaticaans Concilie elkaar te leren kennen en vooral te overwegen wat over en weer bindt in plaats van scheidt. Veel bindt ons en weinig scheidt ons. Dat besef dringt wellicht door in het oprukkende nieuwe heidendom en manifesteert zich te midden van de kinderrijke gezinnen van de moslims.
Laten we in dit kader de oproep van Joannes Paulus II in zijn encycliek Ut unum sint van 1995 beschouwen dat werkelijk alle Christenen ertoe geroepen zijn één te worden – naar de bede van Christus Zelf (cf. Jo 17,21): ‘Mogen zij allen een zijn, zoals Gij, Vader, het zijt in Mij en Ik in U. Mogen zij allen één zijn, opdat de wereld gelove dat Gij Mij hebt gezonden.’ In dit zelfde kader valt bij uitnemendheid zijn schuldbelijdenis te begrijpen van het jubeljaar 2000. In die nederige bekentenis volgt de Poolse paus de Nederlandse van een half millennium eerder. Beiden staan als enigen nu schouder aan schouder in het toegeven van schuld en derhalve vragen om vergeving. Niets zou erop tegen zijn, indien ook nu Vaticaanse waardigheidsbekleders in bepaalde zaken schuld zouden bekennen en vergeving zouden vragen om ook heden nog aandoend dan wel aangedaan onrecht of leed – ook indien dat geen persoonlijke schuld zou beduiden.
Van schuldbelijdenis wordt niemand kleiner, alleen groter. Dat leert ons al het troostrijke sacrament van de Biecht.
Keren we nog eens terug naar de jarige paus Adriaan. Hij stierf op 14 september 1524 – ziek, verlaten, verguisd, bespuwd, gehaat. De stoffelijke resten van de paus zijn terstond begraven onder Sint Pieter. Op verzoek van zijn naaste medewerker Willem van Enckenvoirt – de enige die hij ondanks de weerzin daartegen van de andere kardinalen op zijn sterfbed tot die waardigheid heeft verheven – is Adriaan na tien jaar opgegraven en overgebracht naar Santa Maria dell’Anima elders in Rome. Daar rust hij in het grote, nooit door hem zelf gewenste grafmonument terzijde in het priesterkoor – de niet gezochte tiara nog altijd op het hoofd totdat hij wakker geschud zal worden op de jongste dag.
Elke dag vier ik daar, bij het graf van de niet minder vrome dan hervormingsgezinde paus Adriaan VI, elke dag de Eucharistie, zoals ook hij elke dag de Heilige Mis pleegde op te dragen. En zulks heeft dat in feestelijke dankbaarheid hier afgelopen maandag, op de geboortedag zelf, gedaan de onlangs teruggetreden Adriaan van Utrecht, kardinaal Simonis