Antoine Bodar

De Kerk is geen instituut van moraal maar de gemeenschap van Christus.

header-05.jpg
 

Paasbrief aan vaderlanders

23 april 2011 |  Antoine Bodar |  Volkskrant

Wat steekt toch veel goeds in ons Nederlanders en hoe zeer zijn wij daarvan in saamhorigheid overtuigd. Wij houden ons voor het land van de voorlopers. Wij heten de geordende maatschappij waarin alles in strenge ambtelijkheid en bitse gelijkheid is geregeld. Toch zijn wij in enen tamelijk van streek. Ontordening alom.

I
Vaderlanders, vergunt u mij deze Paasbrief aan u te richten.

Wat steekt toch veel goeds in ons Nederlanders en hoe zeer zijn wij daarvan in saamhorigheid overtuigd. Wij houden ons voor het land van de voorlopers. Wij heten de geordende maatschappij waarin alles in strenge ambtelijkheid en bitse gelijkheid is geregeld. Toch zijn wij in enen tamelijk van streek. Ontordening alom. Beeldvorming belangrijker dan feiten. Nationale eenheid alleen in verhyping, tenzij het koning voetbal betreft – reden waarom wij wel worden gekenmerkt als het volk van papegaaien, veelkleurige dieren – dat wel.
Internationaal hebben wij het zegel van tolerantie verloren, hetwelk de vraag rechtvaardigt of die eertijds druk geprezen verdraagzaamheid in werkelijkheid geen mercantilisme was – tolerantie om onze koopmansgeest ruimte van handel drijven te verlenen. Want hoe het land van de beterweters te zijn en tegelijk de natie van het in gelijkwaardigheid naast elkaar leven?
Een brief vanuit Rome, niet vanuit het Vaticaan. Waarom dit apart vermeld? U zoudt de brief terstond terzijde willen leggen, getergd door ergernis om veronderstelde achterlijkheid die naar uw oordeel hier in de schoot van de Moederkerk huist.
Christenen verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan. Dat beduidt het wereld wijd gevierde hoogfeest van Pasen. Hoe kunnen dan sceptici onder u, vaderlanders, weten dat verrijzenis van de doden niet bestaat? Als die niet zou bestaan, dan zou Jesus de Christus niet zijn opgestaan en dan zou onze prediking toen, tweeduizend jaar geleden, en nu nog steeds zinloos zijn en dus geloof in Christus waardeloos. Daarom blijft de verkondiging van Christus en Zijn verrijzenis. Die is noodzakelijk. Hoe anders zouden mensen van heden nog kunnen geloven als hun het Evangelie niet wordt verkondigd? Het geloof immers is uit het gehoor. Dit alles vrij naar Paulus (cf. 1 Kor 15,12-18; Rom 10,14-17).
Wie nooit meer van Christus hoort, kan onmogelijk geloven. En dat is de heden verworven armoede dank zij slecht of helemaal geen onderwijs in godsdienst, tenzij om daarvan de betrekkelijkheid in stelligheid vast te stellen. De zoekende mens van nu scharrelt wat rond in de winkels van de zo genoemde spiritualiteit, kiest her en der wat uit voor zijn winkelmand en stelt thuis zijn goed-gevoel-geloof samen – alleen, helemaal alleen, opgesloten in eigen gelijk dat allerindividueelst is.
Zo luidt het oude gezegde: Eén Nederlander: een theoloog. Twee Nederlanders: een kerk. Drie Nederlanders: een schisma. Zo heet het tegenwoordig: Eén Nederlander: een mening. Twee Nederlanders: een debat. Drie Nederlanders: een ruzie. Een klein dicht bevolkt land waar elkeen het gelijk aan zijn zijde weet in trefzekere bewering.

II
Het Christelijke geloof, dat in cultuur nog altijd de identiteit van Europa bepaalt omdat het haar wortels zijn – zij het onder toevoeging van het eertijds Christelijke humanisme en de nu stilaan ouderwetse Verlichting – wordt over de gehele wereld steeds meer ontdekt. Alleen in West-Europa en met name in Nederland lijkt het Christendom te verdwijnen.
De Kerk viert met Pasen dat Jesus Christus, de Zoon Gods, geboren als mens om ons door de kruisiging bij God terug te brengen, is verrezen. Zou hij niet verrezen zijn, Jesus zou een voortreffelijke profeet kunnen zijn, vergelijkbaar met vele door de tijd heen, meer niet.
Wie weet bij ons nog dat Pasen het hoogfeest beduidt van de door Christus bewerkstelligde verzoening van de mensheid met God en aldus van de overwinning van het leven op de dood, van het goed op het kwaad? Maar wie wil dat eigenlijk nog werkelijk weten? Weinigen in Nederland, vermoed ik. Juist de volheid van de Christelijke verkondiging irriteert het merendeel van ons vaderlanders – vooral van bekende Nederlanders onder ons die vooraan plegen te staan andere landgenoten van eigen overtuiging kond te doen. Waarom? Het is dat persoonlijke en gans eigen gelijk hebben. Dat heet persoonlijke vrijheid, om niet te zeggen privacy. De aanspraak op de waarheid die Christus is klinkt te absoluut. Want wat is waarheid? Behoort niet alles betrekkelijk te zijn? Wij weten toch dat wetenschap elk geloof overbodig heeft gemaakt. Geloof is primitief, wetenschap is verlicht. Wij zijn onze hersenen en brengen onze horizon van denken terug tot de strengste uitleg van Calvinisme, zij het in geseculariseerde zin. Wij verlaten ons op determinisme en vanuit determinisme op materialisme. Al eisen we de ongebreidelde vrijheid voor ons zelf op, toch ontkennen we de vrijheid van wil. Paradoxale redenering zoals het leven zelf paradoxaal is. Wij weten dat het polderleven plat is en wij schikken ons daarin met overtuiging. Want wij zijn nuchter en realistisch. Wat we waarnemen, nemen we aan. Wat we niet zien, geloven we niet. Wat we niet kunnen beredeneren, bestaat voor ons niet.
In tegenstelling tot agnosten, wier kijk op het leven om wille van bescheidenheid sympathie wekt, beweren veelal atheisten slechts beter na te denken dan gelovigen. In feite denken zij anders na en wensen hun denken te beperken tot het verstand alleen – de leiding gevende faculteit van de mens, nochtans niet de enige. In dit kader moet herhaald worden dat het niet bestaan van God even onbewijsbaar is dan het wel bestaan van God.

III
Het kan verkeren: Voorheen, toen de meerderheid in Nederland nog openlijk belijdend Christelijk, zij het in verdeeldheid, durfde te zijn, werd de ongelovige gevraagd zich daarvan rekenschap te geven. Tegenwoordig durft de meerderheid van de Christenen, in naar elkaar toe groeiende eenheid, niet meer voor haar geloof uit te komen. De Christen heden moet zich jegens de ongelovige voor zijn geloof verantwoorden. In schaamte stamelt hij. Hij is de moed verloren. Hij doet er bij voorkeur het zwijgen toe. Hij weet zijn levensovertuiging niet te verdedigen, omdat de tegenstander niet verder met hem mee kan gaan dan het redeneervermogen gering is. Wat fierheid aangaat kunnen katholieken de leerschool van de protestanten bezoeken – die van de orthodoxe, bedoel ik; want de toekomst is aan niet aan de vrijzinnigheid maar aan de orthodoxie. Vrijzinnigheid leidt naar het winkelbedrijf van de te kiezen prettigheden. Orthodoxie anderzijds kan alleen bloeien in mildheid, in overtuiging dat alle mensen door God worden bemind, in benul dat geloof een geschenk is dat wel verplicht maar niet anderen kan verplichten. De missionering, eigen aan het Christendom, kan alleen in dienstbaarheid gelukken, in vertrouwen op de Heilige Geest, in besef dat de mens wel kan wikken, maar dat God toch zal beschikken. Missionering in onze dagen in ons land betekent getuigenis die aanvangt bij zich gedragen in wellevendheid, bij gunnen aan de ander en zich bekommeren om de ander. Hoe zou die aldus kunnen gelukken? Door de Bijbel te lezen en te overwegen, door met God te leven – dat is al bidden, door samen liturgie te vieren, door de gewaarwording dat geloven niet alleen een persoonlijke aangelegenheid maar vooral een gezamenlijke is. De Christen, die om zijn geloofsovertuiging in openbaarheid wordt aangevallen en dan niet weet wat te zeggen, die laat zich bemoedigen door de Christusgemeenschap waarmee hij is verbonden en waarbij hij dus thuis is. Daarin licht reeds troost op. Troost wordt nog verhoogd door bewustzijn van hen allen die de aarde rondom hetzelfde geloof belijden in de opgestane en de zo verheerlijkte Heer in saamhorigheid met de wereld omvattende Kerk.
Van meetaf aan evenwel blijft dit het begrip van de gezamenlijke Christenheid: Ofschoon de Kerk zich altijd moet hervormen, zal zij dat alleen in ondergeschiktheden kunnen doen, nooit in de kern van hetgeen haar is toevertrouwd. Zij moet trouw blijven aan de haar door Christus opgedragen taken als voertuig tot Hem.

IV
Hoe zouden wij Nederlanders in gezamenlijkheid onze identiteit van klaarblijkelijke stuurloosheid kunnen brengen naar die van zekere sturing in gloed en élan?
Niet door in angst te verblijven, als zouden veelkleurige invloeden van buiten onze eigen veelkleurige identiteit ten diepste zouden moeten veranderen.
Inzake de moraal, die volledig zwevend is, verdienen de Tien Geboden en mijns inziens de Zaligsprekingen opnieuw overweging.
Waarom zou herkenning van eigen wortels niet ook erkenning daarvan kunnen inhouden? Waarom het Christendom vaak zo agressief bejegend en niet daaruit het goede en het schone en het ware genoten waardoor wij in ons zelf meer vrede en dus tevredenheid zouden ontdekken en niet louter behoeven te leven van hype en voetbal. Maar zou het ook niet helpen ons eigen te ver voortgeschreden provincialisme nader te beschouwen en zo te overwinnen. Ondanks het Amerikanisme is Nederland de internationale blik kwijt geraakt. Het staart naar de eigen voortreffelijke navel en vergeet het niet verre verleden, toen wij bereid waren de Europese cultuur van elders – de Franse, de Duitse, de Britse ten minste – te wegen en die met onze eigen vaderlandse, toch wat al te mercantiele cultuur te verweven. Zou het niet de moeite waard zijn het gezin van vader en moeder en kinderen opnieuw in het middelpunt van maatschappelijke opbouw te plaatsen? Ik geef toe dat daartoe durf moed wordt vereist. Maar zonder durf verliezen wij moed en zonder moed blijft lef achter gerechtigheid volledig te betrachten en schranderheid na te leven.
Mij zelf is verlangen niet onbekend naar de tijd van de Zeventien Provinciën in het midden van de zestiende eeuw met de aartsbisschoppelijke steden Utrecht, Mechelen en Kamerijk – niet dat we daarnaar zouden kunnen terugkeren maar die periode van de geschiedenis wel aan de orde om onze identiteit minder bekrompen en beperkt te doen zijn, als zouden de Nederlanden werkelijk alleen de provincie Holland uitmaken met een paar gewesten die naar Hollandse mentaliteit zich daarmee hebben verenigd. Holland hup, nietwaar, alsof zelfs het huidige kleine Nederland alleen Holland zou zijn.
Gelukkig schrijdt het ene Europa voort en zal naast Europeanisering regionalisering het gevolg zijn. Regionalisering is in het perspectief van Europeanisering tegenwicht van provincialisme. Dus terug naar toen, naar de Bourgondische kreits of kring met Brussel als middelpunt en het volledige Brabant als centrum is niet meer noodzakelijk, al herinneren we ons deze strofe uit het nationale volkslied: ‘De koning van Hispanien heb ik altijd geëerd’, zoals wij allen ook meesttijds onnadenkend maar best rondborstig meezingen: ‘Mijn schild en de betrouwe zijt Gij, o God, mijn Heer. Op U zo wil ik bouwen, verlaat mij nimmer meer.’ Welnu aan de lieve Heer zal het niet liggen, maar wel aan ons.

V
Staat geloof tegenover rede, zoals ons, Christenen, steeds door anderen wordt aangewreven en ingepeperd? Groter onzin nimmer vernomen. Mij beperkend binnen de ene Christenheid tot de bedding van de Kerk van Rome, de Moederkerk, weet ik dit: Niets wat in wetenschap ontdekt kan worden staat tegenover ons geloof. De eventueel klemmende kwestie is een andere: Alles, wat wetenschappelijk kan, moet dat ook? Dat is de vraag. En die vraag betreft niet de wetenschap maar de moraal.
Opdracht aan elke wetenschap is de waarheid te vinden. De wil om de waarheid te vinden behoort ook tot het onderzoek van filosofie, de wetenschap die niet alleen betrekking heeft op kennisleer en logica maar ook op zijnsleer en zingeving. En dat laatste is tevens het terrein van theologie en godsdienstwetenschap die in de vraag naar God in enen de vraag naar de mens stellen.
Ook al zouden wij onze hersenen zijn, wat zegt dat over mijn bestaan, mijn omgang met andere mensen, de dood die mij wacht en de vreugde die ik beleef aan liefde en vriendschap en schoonheid? Niets. Kennis is nog geen wijsheid. Laten we ons maatschappelijk niet al te zeer leiden door de natuurwetenschappen die maar een gedeelte van de werkelijkheid onderzoeken? We kennen al uit de negentiende eeuw naast de erklärende de verstehende wetenschappen. De eerste kunnen proefondervindelijk verklaren, de tweede invoelend begrijpen. Zij onderzoeken onderscheiden terreinen van de werkelijkheid. Maar wat hebben alle wetenschappen met elkaar gemeen en ook met godsdienst en voorts met kunst? Dat is de intuïtie, het onberedeneerde voorgevoel dat drijvende kracht wordt tot onderzoek, geloof, schepping. Het betreft telkens het geschonken talent. De gave om wetenschap te beoefenen, zich over te geven aan God, kunst te bedrijven.
In het onlangs ook in het Nederlands verschenen interview-boek met Benedictus XVI, Licht der Welt (Licht van de Wereld), legt de journalist Peter Seewald de paus deze uitspraak van de kernfysicus Werner Heisenberg voor: ‘De eerste slok uit de beker van de natuurwetenschappen maakt atheïstisch – maar op de bodem van de beker wacht God.’ Benedictus XVI reageert zo: ‘Slechts zo lang men bedwelmd is door het eigen wetenschappelijk inzicht, zegt men: “Meer is niet mogelijk; we weten nu alles.” Maar wanneer men de ongehoorde grootsheid van het geheel op het spoor komt, rijkt de blik verder en komt de vraag op naar een God van Wie alles komt.’ Het blijft de grote opgave van de Kerk, aldus de paus elders in dat vraaggesprek, geloof en rede – de blik die verder reikt dan het tastbare en de rationele verantwoording – met elkaar te verbinden. Want het verstand is ons door God gegeven en het typeert de mens.
Voorbij aan de waarheid die betrekking heeft op de eindige werkelijkheid van wereld en mens en dergelijke reikt de volle waarheid die voor ons mensen nog mysterie blijft. De mens evenwel zijn geloof en rede geschonken als twee vleugels om tot de beschouwing van de volle waarheid te komen. Zo Joannes Paulus II in zijn encycliek over de verhouding van geloof en rede (Fides et Ratio) uit 1998. Het verlangen om de volledige waarheid en zo ten slotte God Zelf te leren kennen is immers door God in het hart van ons mensen gelegd.

VI
Met Pasen viert de Christenheid dat Gods eniggeboren Zoon de dood heeft overwonnen en de eeuwigheid voor ons heeft ontsloten. Jesus heeft geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven; Hij is verrezen op de derde dag — volgens de Schriften. Dat leert de geloofsbelijdenis op grond van de Bijbel. Opgestaan, hoe dat te verstaan?
Ik kies hetgeen Joseph Ratzinger / Benedictus XVI over de verrijzenis in het tweede deel van Jesus von Nazareth (Jesus van Nazareth) na onderzoek van de daarop betrokken Schriftpassages in samenvatting schrijft. Het boek is deze week in het Nederlands verschenen. Zo stel ik meteen kort zijn persoonlijke weergave daaromtrent vanuit wetenschap èn geloofstraditie voor.
De opgestane en dus verheerlijkte Jesus is niet teruggekeerd naar het algemeen biologische leven, zoals bij voorbeeld Lazarus is overkomen; want die is evengoed gestorven. Jesus als verrezen Heer is geen spook of geest, al wordt Hij vaak eerst niet maar pas later in een ontmoeting met de zijnen herkend.
De opstanding van Christus is enig als gebeurtenis in de geschiedenis en gaat die te boven maar heeft daarin sporen achtergelaten. Gezien de getuigenissen is de verrijzenis van een radicaal nieuwe hoedanigheid – een nieuwe wijze van zijn als gevolg van een ontologische sprong die voor ons een nieuwe ruimte van leven, van samen zijn met God heeft geschapen.
De ongelovige Thomas mocht de opgestane Christus zien en betasten en toen kon hij zeggen: ‘Mijn Heer en mijn God’. Maar Jesus berispte hem en zei: ‘Zalig zij die niet zien en toch geloven.’ (Jo, 20,28-29)
Zalig Pasen.