header-05.jpg
 

Notre Dame is Godshuis

8 juni 2019 |  Antoine Bodar |  Trouw

Antoine Bodar

I

Meer dan veertig jaar geleden woonde ik eens met Kerstmis de pontificale Nachtmis bij in het overvolle bedehuis van Notre Dame op het Île de la Cité van Parijs. Dicht opeen gepakt stonden we daar, veelal jonge mensen. Het altaar kon ik niet zien, wel het beeld van Notre Dame de Paris, het beeld van de Moeder Gods uit de veertiende eeuw, opgesteld onder de nu afgebrande vieringtoren aan de zuidzijde van de bisschopskerk van de Franse hoofdstad. Ook na de brand staat Maria’s beeltenis nog ter plaatse, op post in voortgaande bescherming. Nooit heb ik meer mensen samen in een kerkgebouw aangetroffen zo devoot en nooit in zo natuurlijke saamhorigheid als toen. Daar in die eerbiedwaardige kathedraal die gelovigen samenbindt over de eeuwen heen in een blijvend heden dank zij de liturgie.

Eerder, in de vermeend artistieke jaren zestig was de Lichtstad menig keer het reisdoel, vaak per deux-chevaux, en dan niet slechts het Quartier Latin, maar dan tevens meer het hart van Parijs, Notre Dame, dan de buik van Parijs, les Halles.

Notre Dame rijst als het ware op uit de grond, zei de Oostenrijkse schrijver Peter Handke, balling in Frankrijk, naar aanleiding van de brand op de avond van 15 april [2019]. Daarentegen zal deze betrokkenheid nooit opgaan voor Sint Pieter in Rome, vervolgde hij,  die staat daar als uiting van pauselijke macht. Notre Dame is het schip van de mensheid; zij en Europa behoren bijeen. Zonder macht.

Ik deel de ontboezeming van Handke en als balling in Italië ga ik liever ter kerke in oudere bedehuizen dan boven het graf van Petrus in de kolossale ruimte van de pauselijke basiliek die het karakter heeft van een Romeins badhuis uit de Oudheid — op Michelangelo’s koepel na dan.

De brand roept herinneringen op bij eenieder die op enigerlei wijze met die stenen van godsdienstig leven van doen heeft gekregen.

Een paar jaar geleden nam ik daar deel aan de viering van de Eucharistie. Dat was op 25 augustus, de sterfdag van Lodwijk IX in 1270, de vrome koning, in de Moederkerk als heilige vereerd. Hij verwierf zich een deel van het heilige kruis en Christus’ doornenkroon, waarvoor hij Sainte Chapelle liet bouwen. Het zijn door vromen te vereren resten, nu bewaard in de schatkamer van Notre dame en vandaaruit gered uit de brand door een aalmoezenier van de Parijse brandweer. In een zomernacht van 1997 legde ik mij, moe van het hele dag sjouwen met vaderlandse jongeren door de stad, een paar uren op een bank  daar op het voorplein van de Parijse bisschopskerk, herinnerde mij het midden-portaal daar verderop — ik schreef als student eens een werkstuk over de daar  in de dertiende eeuw afgebeelde deugden en ondeugden — en richtte de blik telkens onwillekeurig naar boven, naar de beide torens. Toen ben ik toch ingeslapen en na een paar uur gewekt door een agent van politie. Het waren de Wereldjongerendagen met Joannes Paulus II in het Blois de Boulogne. Ik verliet in die laatste nacht van het samenzijn mijn groep; want het openluchts in een zak gezamenlijk slapen gaat mij van nature niet af en dus begaf ik mij liever te voet in de richting van de stad, ervan uitgaand dat daar wel een kerk zou open zijn. Dat bleek niet het geval en zo vond mij de agent als zwerver bij de kathedraal waar ik mij thuis voelde.

Parijzenaren, hoe seculier ook, begroetten ons pelgrims in die dagen allerhartelijkst — gastvrij, alsof de strikte scheiding van Kerk en Staat, hypergevoelig thema in Frankrijk,  niet ertoe deed. En zo hebben mijns inziens Parijzenaars en andere Fransen ook nu gereageerd op de brand van hun door het vuur getroffen hart — het Godshuis Notre Dame in betrokkenheid ondanks terughoudendheid.

II

Schokkend was destijds aan het einde van de jaren zeventig, althans voor ons Leidse kunsthistorici die zich bezig hielden met de Middeleeuwen, de opgraving van beelden van de koningen van Juda, in de tijd van de Franse Revolutie gehouden voor die van de Franse koningen en daarom  toen vanaf de koningsgalerij aan de westzijde van Notre Dame naar beneden gesmeten en aldus vernietigd. De ontdekking van de verminkte koningen uit de dertiende eeuw — althans van 21 van de oorspronkelijk 28 hoofden van hen, gebeurde dank zij bodemwerkzaamheden in het negende arrondissement van de stad. Sedertdien staan de koninklijke koppen opgesteld in het Parijse museum Cluny waar zij ons voor zo ver nog mogelijk in geschondenheid aankijken als waarschuwing dat beeldenstorm en revolutie nooit bijdragen aan beschaving, tevens in het geheugend houdend dat hun bisschopskerk een lange en een even rijke als treurige geschiedenis ondergaat.  Tijdens de revolutie zijn ook de beelden aan de binnenzijde van de kerk kapot geslagen om het gebouw vervolgens in te richten als Tempel van de Rede. Dat onttakelde en ruineuse bouwwerk — daarom van binnen geheel bedekt met behangsels — diende als achtergrond  voor de daad van hoogmoed voor de val op 2 december 1804, toen Napoleon zichzelf tot keizer kroonde. En dat in aanwezigheid van paus Pius VII die hem wel had gezalfd maar had geweigerd — na ruggespraak met de keizer van Oostenrijk en de tsaar van Rusland — de kroon op het hoofd te zetten zoals bij Karel de Grote en diens opvolgers van het Heilige Roomse Rijk.

In 1831 publiceerde Victor Hugo de roman  ‘Notre Dame de Paris’ (Klokkenluider van Notre Dame). Ten behoeve daarvan had hij zich verdiept in architectuur en geschiedenis, vernedering en verwaarlozing van de bisschopskerk van Parijs. Al in 1825 had hij een oproep geschreven met als titel ‘Guerre aux démolisseurs!’ (Oorlog aan de slopers) om eerbiediging van het historische erfgoed in steen uit de tijd van de Middeleeuwen te bevorderen. In zijn boek — des te meer weer verkocht na de brand van dit jaar — is volgens eigentijdse critici niet de gebochelde klokkenluider Quasimodo, hoe ontroerend en kwetsbaar en verweven met de klokken en de twee torens ook, de hoofdpersoon maar zij zelve, de kathedraal van Notre Dame, de moederlijke majesteit van geheel Frankrijk met aanspraak op het spirituele hart van Europa. De roman speelt zich af in 1482.  Hugo brengt aan de hand van het bedehuis het Middeleeuwse Parijs tot leven door vanaf de torens als ooggetuige de stad gade te slaan en ter zijde gewag te maken van verwaarloosde of slecht gerestaureerde bouwkunst.

Mede door Victor Hugo en eerder al door de schrijver René de Chateaubriand met zijn boek over de schoonheid van de christelijke godsdienst (‘Génie du Christianisme’) uit 1802 worden de Middeleeuwen in de Romantische periode zo geïdealiseerd dat terugkeer daarheen in verbeelding ver wordt gesteld boven erkenning van de realiteit in die niet duistere tijd.

De restauratie-architect Eugène Viollet le Duc krijgt aldus in 1843 de opdracht  Notre Dame algeheel te herstellen. Hij doet dat grondig en verbetert zelfs naar eigen inzicht de oorspronkelijke kathedraal, voor zover bekend en voor zover nog bestaand. Zijn eenheidsconcept is feitelijk een neogotisch ontwerp. En het is die schepping met gebruik van hetgeen er toen nog stond van het huis van God dat teruggaat naar de aanvang van de bouw in het midden van de twaalfde eeuw, waarvan nu daken en vieringtoren zijn afgebrand. En het is die kerk die op de monumentenlijst van Frankrijk staat en die behoort tot het wereldcultuurgoed van UNESCO en die volgens richtlijnen voor monumenten in de zo genoemde Charta van Venetië uit 1964 onveranderd herbouwd dient te worden in weerwil van al te tijdelijk eigen voordeel zoals aanpassing van het bouwwerk op naam van hedendaagse ontwerpers en politici. Het merendeel van de Fransen zelf wil trouwens dat Notre Dame wordt hersteld zoals het bedehuis was tot midden april van dit jaar [2019]. En dat in tegenstelling tot de bemoeials uit de wereld die menen dat dit huis van God bij deze tijd moet worden gebracht, al zou elk kerkgebouw naar bijziendheid in de eigen tijd moeten wijzen in plaats van als blijvend teken naar de wijsheid in de eeuwigheid.

Zelfs bij calvinisten, die weten dat ‘aan het uiterlijke onze ziel niet hange’, dringt volgens een bericht in het Reformatorisch Dagblad [11 V 2019],  de beleving door van ‘het kerkgebouw als gewijd bedehuis’. Zij naderen zo ietwat de gewaarwording van katholieken en ook oosters orthodoxen. In de Rooms-Katholieke Kerk wordt immers bij de wijding van de in gebruik te nemen kerk die zelfde als stede van de Heer gezalfd, bewierookt, versierd en elk jaar weer op de verjaardag van de kerkwijding gevierd en zo dan uitgezongen in de grote lofzang van de Heilige Mis: ‘Hier wilt Gij wonen in dit huis van gebed. Hier is Uw genade onverdroten werkzaam. Hier maakt Gij ons tot tempel van de Heilige Geest. En dit huis hier is tevens het beeld van Uw Kerk, de bruid van Christus,  die Gij in Uw trouw niet wilt ophouden te heiligen.’

De innerlijke ervaring van de aan God geschonken plaats is volgens mij muzikaal het indringendst vertolkt door de compositie van Anton Bruckner uit 1869: ‘Locus iste a Deo factus’ — graduale uit de Mis van kerkwijding: ‘Deze plaats is door God gemaakt, het heiligdom even onschatbaar als onberispelijk.’ Verwijzingen — dit tot geruststelling van protestanenten toegevoegd — naar de ontmoeting met de Eeuwige van Jacob in  Betel (Gn 28,16) en Mozes bij de Horeb (Ex  3,5).

Dwaasheid geldt de Franse president die in vijf jaar tijds ‘nog mooier’ de kathedraal wil doen herbouwen, terwijl deskundigen juist haast met het herstel ontraden en zelfs een tweede ramp noemen. Nog dwazer is de prijsvraag voor het ontwerp van een nieuwe vieringtoren, een idee van de eerste minister; want de afgebrande van Viollet le Duc is een wel vrije maar tevens getrouwe nabootsing van de oorspronkelijke en zo ook gedocumenteerd. Het meest dwaas lijkt mij het voorstel de Parijse kathedraal nu in te richten als ‘plaats voor discussie [!], als interreligieus gebedshuis of als multicultureel ontmoetingscentrum’ — dit volgens een opinie in Trouw [17 V 2019]. En wat voor andere nog heviger creativiteit is inmiddels ons allen al toegevallen wat het uiterlijk van Notre Dame betreft, zoals appartementen, een zwembad, een broeikas bovenop de kerk of het nieuwe dak van glas — doorzichtig of gebrandschilderd — van metaal of zelfs van goud. Het kan vanzelfsprekend nog gekker worden in de gekte van de originaliteit die onze generaties tergt.

God zij dank heeft de Franse Senaat ten slotte korte metten gemaakt met het nagestreefde prestige van de president en de creatieve doldraaierij van de ontwerpers: De restauratie moet geschieden volgens de wet en dat betekent het herstel van de kathedraal in de staat van Viollet le Duc.

III

Terwijl de kathdraal nog rookte en de brandweer nog moest nablussen, stroomde het geld voor het herstel van Notre Dame al binnen. Menig vermogende grootondernemer trok de beurs tot genoegen van Parijzenaars maar tot ongenoegen van ‘gele hesjes’, mensen in Frankrijk die zich achtergesteld voelen en van wie sommigen hun standpunt kracht bijzetten door in navolging van vernielers uit 1789 — en van revolutionairen uit 1968 — allerlei gemeenschappelijk goed in de openbare ruimte van Parijs telkens bij hun demonstraties op zaterdag kapot te maken. Nochtans stellen zij deze vraag die alleszins gerechtvaardigd is: Waarom wordt Notre Dame beweend alsof het een persoon is en stroomt het geld voor haar binnen en waarom worden wij die niet zo delen in dit nationale symbool van geschiedenis, van cultuur en van christendom nagenoeg als ding behandeld — onbeduidend en armlastig? Het theoretische antwoord is uiteraard dat bekommernis zowel de misdeelden als dit bedehuis past. Of zullen in de practijk vermogenden, die zich gaarne openlijk verbinden met Frankrijks trots in stilte ook de geringen van veelal een andere cultuur in hun portemonnaie gedenken? Het is de eerste les van het christendom, zoals ook Victor Hugo zijn lezers voorhoudt: Na de historische roman ‘Notre Dame de Paris’ in verontrusting over erfgoed maar desondanks oog houdend voor de gebrekkige bultenaar, publiceerde hij in 1862 de sociale roman ‘Les Misérables’ in bezorgdheid om de beklagenswaardigen, het ontbering lijdende volk.

In de afgebrande kathedraal van Parijs, waarvan de structuur echter is behouden en de wederopbouw dus kwestie is van tijd èn geduld, is niet alleen de Moeder Gods in haar beeltenis blijven staan maar ook — groot en fier — het kruis van het hoogaltaar. De aartspriester (plebaan/pastoor) van Notre Dame vraagt niet zo maar de wereldlijke autoriteiten daar in het geschonden bedehuis te midden van puin en bende de Heilige Mis te mogen opdragen in dank jegens de Heer dat Gods huis onder ons, Zijn poort naar de hemel, in weerwil van verminking overeind is gebleven. En niet zo maar wijst de aartsbisschop van Parijs erop dat  zijn bisschopskerk meer is dan nationaal monument. Zij is allereerst plaats van bidden en tegelijk het grote stenen boek waar de sleutels te vinden zijn voor de boodschap die de Kerk wil overbrengen door middel van beelden, taferelen en de architectuur zelf.

Geen andere stijl in de bouwkunst wekt meer de verticale Godsbeleving dan de gotiek — zowel door de omhoog strevende ruimte als door de schittering van het licht door de al dan niet gebrandschilderde glazen.  De gotische kathedraal is als het hemelse Jerusalem onder de mensen en het licht symboliseert het eeuwige licht — het Licht uit het Licht, het Licht dat in de duisternis is gekomen, Christus als de opgaande zon in het oosten.

In zijn boek ‘Die Entstehung der Kathedrale’ van 1950 deinsde de kunsthistoricus Hans Sedlmayr zelfs niet ervoor terug het ontstaan van de gotische kathedraal mede te verklaren uit het visioen van Joannes in de Apokalyps (21,2.10-11.18): De heilige stad, het nieuwe Jerusalem, is van God uit de hemel neergedaald. Zij is de bruid van het Lam, stralend van de heerlijkheid Gods, schitterend als het kostbaarste gesteente. De muur van de stad is gebouwd van jaspis, de stad zelf is van zuiver goud dat fonkelt  als kristal.

Wat deze architectuurtheorie ook waard is, Sedlmayr vertolkt ten minste de gewaarwording van gelovigen die het gotische Godshuis als afspiegeling van de hemel beschouwen en zo als ‘veruitwendiging van het onvatbare’, als metafysica in glas en steen gevat, als teken van hetgeen de mens te boven gaat, maar ook als verlangen naar een eenvoudiger en nu verloren wereld en als waarschuwing  beperkingen zich bewust te worden in het uitzicht op de eindigheid van het leven en de onherroepelijke dood voor allen zonder uitzondering.

Al dat samen doet Notre Dame van Parijs juist in de haar verwondende vlammen en in haar vernederende broosheid tot groter symbool worden van een mensheid die God kwijt schijnt te zijn of overbodig heeft verklaard.

En wat leert ons Pinksteren dat wij nu vieren, wanneer wij, christenen, de blijvende nederdaling van de Heilige Geest vieren? Dat de Kerk ook in tijdperken van ogenschijnlijke teloorgang voortgaat. De Geest schenkt Zijn zeven gaven. De wijsheid heeft Hij alvast geschonken aan de Franse Senaat. Het blijkt dat de Heilige Geest niet is geweken van de aan Christus’ Moeder gewijde Notre Dame van Parijs.