Antoine Bodar

Dienen is ook duiden en verschaffen van beschutting.

header-05.jpg
 

Napels

15 maart 2008 |  Antoine Bodar |  Nederlands Dagblad

Drie dagen Napels waarvan twee in stromende regen. Weliswaar nu stad van vuilnis en maffia, maar vroeger hoofdstad van het koninkrijk Napels met palazzi, kerken en kloosters. Sinds 1860 deel uitmakend van het verenigde Italië – reden waarom Garibaldi’s standbeeld, even groot als vuil, uitkijkt over het stationsplein. Na de eerste dag sjouwen door het historische centrum betreden we – een huisgenoot uit Rome en ik – de plek voor overnachting in het klooster van de Augustijnen, hoog boven de baai van Napels. Eertijds een aan de paters geschonken villa, na de Tweede Wereldoorlog omgebouwd tot voor die dagen modern klooster, nu verwaarloosd en nagenoeg leeg. We slapen in celletjes, toendertijd bewoond door novicen en andere pas tot de orde toegelaten geroepenen. Twee priesters en een diaken vormen samen de communiteit waarvoor twee bejaarde zusters zich kwijten van verzorging. De drie ontvangen ons gastvrij en delen hun avondmaal met ons. Onder spierwitte buislampen in de eetzaal, waar elke aangenaamheid en elke geriefelijkheid lijken vermeden, luisteren we naar de verklaringen omtrent vuinis en maffia, de afwezigheid van kloosterroepingen, de mentaliteit van de Napolitanen, de dagelijkse gang rond de kleine parochiekerk die in de jaren vijftig van de vorige eeuw tegen het klooster is aangebouwd. De maffia – hier Camorra geheten – als staat in de staat Italië beheerst naast de politiek de ondernemers en waarschijnlijk meer. Wie een bedrijf begint of een winkel opent, krijgt eerst alle medewerking. Maar zodra de onderneming draait, eist de maffia een percentage van de opbrengst op straffe van bij voorbeeld brandstichting. De knechting van Napels uit zich daarenboven in het overal opeengestapelde vuilnis, al heten sommige wijken waar toeristen komen daarvan ietwat gevrijwaard. Kunnen de stedelingen hier nog gemeenschapszin kennen of is gelatenheid en laten gaan en laten lopen hier de enige geestesgesteldheid geworden? De smeerpoetserij alom doet dit vermoeden. In het celletje, nog ijskoud als gevolg van doorweking, vind ik laat in de nacht de slaap, terwijl maartse buien het klooster blijven wassen. De tegenstelling tussen Napels en Rome kan niet groter en ook niet die tussen ons onderkomen daar en hier in de Eeuwige Stad. Rome is hoofdstad en pausstad. Napels is koninklijke stad van het verleden waar heden de derde wereld aanvangt. Vele kerken uit de Spaans georienteerde Barok met koepel en dramatische overdrijving van inrichting zijn nu lege, soms slecht aangepaste bedehuizen, voor zover er althans nog gebeden wordt. Alles lijkt hier voorbij. Ik was nooit op Cuba maar stel mij voor dat het aanzien van Havanna’s oude centrum zo moet uitzien, al zal daar vuilnis de stad niet verlelijken. Niettemin is het eigen aan de kunsthistoricus in smerigheid verborgen schatten evengoed op te diepen en door alle lelijkheid heen schoonheid te vinden. En zulks is niet alleen eigen aan de kunsthistoricus maar aan elke mens van goede wil. Zo is de Napolitaan vriendelijk bij het bedienen in het eethuis en behulpzaam bij het vragen naar de weg, al is oplettendheid geboden en dienen donkere stegen en verlaten open ruimten te worden vermeden, zo men althans zijn beurs niet onvrijwillig wil afgeven. ‘Hoe komt hier de gothiek?’, vraagt mijn Romeinse medebroeder met wie ik oude schoonheid opdiep. ‘Uit de verbondenheid met Frankrijk en Spanje in de Middeleeuwen – de weg waarlangs ook Vlaamse invloed in schilderkunst merkbaar is.’ Santa Chiara is zo’n kerk met klooster, weliswaar gebombardeerd in 1943 maar nadien heropgebouwd en zo ent-Barok-iseerd. Meer nog de oorspronkelijk gebleven Cappella Palatina in Castel Nuovo, in de dertiende gebouwd door de dynastie van Anjou. Nog een derde kerk uit die tijd ontdekken we. Persoonlijk treft mij als bij een eerder bezoek aan Napels niet de duomo maar wel het daartoe oorspronkelijk behorende baptisterium uit de vijfde eeuw met resten van mozaieken van toen – voornaam en sterk van vorm zoals de late Oudheid die nog kent. Links uit het celletje van het klooster is op gelijke hoogte het in 1838 voltooide koninklijke zomerpaleis te zien dat nu het museum Capodimonte herbergt vol oude schilderkunst – niet minder het bezoeken waard dan dergelijke in Turijn of Milaan, Florence of Rome. We blijven er uren, terwijl de regen stroomt en geen toerist zich laat zien. Op de derde dag verwaardigt de zon zich af en toe te schijnen. Na twee dagen kunst van kerk en hof nu op de dag van terugkeer naar Rome nog eens een andere wereld in het beroemde archeologische museum met gave beelden uit Romeinse Oudheid en nog veel meer. Daarenboven resten van Pompei – hier eens nabijgelegen maar in 79 definitief onder de lava van de Vesuvius bedolven en zo ondergegaan – zoals mogelijk nu over niet te lange tijd de Europese cultuur in overdrachtelijke zin. Hoe op zo’n gedachte te komen? Wel, als gevolg van de daar in het museum momenteel ingerichte tentoonstelling met als titel Alma Tadema e la nostalgia dell’ antico. De Fries Laurens Alma Tadema (1836-1912), sedert 1873 Brits staatsburger, is klassicistisch schilder met bijzondere belangstelling voor het dagelijkse leven in de Oudheid, zo ook in Pompei. De tentoonstelling voegt Alma Tadema’s schilderijen, taferelen in aristokratische kringen van toen, samen met de door hem daarvoor gebruikte en dus afgebeelde voorwerpen en meubelen van tweeduizend jaar geleden. De luie wereld van toen, zowel die van de negentiende eeuw als die van late Oudheid, spiegelt zich in die van nu waar het tijdverdrijf in bepaalde kringen niet minder leeg is en dus verval reeds gaande is.