Antoine Bodar

Leven is louter dienen.

header-05.jpg
 

In geborgenheid schuilt geluk

3 januari 2011 |  Antoine Bodar |  Antoine. De Enige Echte Katholieke Glossy

I
Alleen om zijn vroomheid is de Egyptische monnik Antonius bekend geworden. Lees zijn Vita (Leven) voor aan Christenen en aan heidenen. Allen kunnen van hem leren. Zo besloot Athanasius, bisschop van Alexandrië, omstreeks 360 zijn biografie over ‘Antonius Abt’ of ‘Antonius de Woestijnvader’ of ‘Antonius van het varken’ die een viertal jaren tevoren was gestorven – 105 jaar oud. Aangezien hij patroon is van dit tijdschrift dat in Franse schrijfwijze zijn naam draagt, wordt hij ook hier aanbevolen en tot voorbeeld gesteld.
Als jongeling betreedt Antonius de kerk, juist op het ogenblik dat uit het Evangelie van Matteüs (19,21) wordt gelezen: ‘Wilt ge volmaakt worden, ga naar huis en verkoop hetgeen u bezit en geef het aan de armen en volg Mij; ge zult een schat in de hemel bezitten.’ En zo doet Antonius.
Eerste les: Antonius weet te kiezen en standvastig te zijn in zijn keuze. Zijn leven wordt niet bepaald door materialisme, consumptisme, hedonisme. Hij kijkt verder dan de neus van het hier en nu lang is maar richt zich op het leven van het daar en straks voorbij platheid, gewoonheid, begrensdheid. Al hetgeen niet terstond zichtbaar of ervaarbaar is, kan zonder waarde zijn. In tegendeel. Hetgeen voorbij is aan de zichtbare ervaring en het kale redeneervermogen kan in alle kwetsbaarheid van waarde zijn. De mens is meer dan hetgeen aan hem proefondervindelijk en verstandelijk wordt vastgesteld. Slechts de mens als geheel kan zich openen voor God.
Antonius trekt zich terug in de eenzaamheid en leeft in uiterste eenvoud. Hij eet en drinkt alleen voor zover dat nodig is om in leven te blijven en zo God naderbij te komen.
Tweede les: Hoewel Antonius in deze strengheid niet behoeft te worden nagevolgd, houdt zijn wijze van leven deze waarschuwing in: Matigheid houdt de geest helder. Overgewicht versuft en maakt lui. Verzadiging neemt streven weg. Ontzegging doet eigen grenzen ontdekken en aldus wijsheid rijpen.
In zijn teruggetrokkenheid wordt Antonius gepest door demonen die hem onafgebroken kwellen. Hij weerstaat hen gestaag in overtuiging en in fierheid. Wie uit menselijke duisternis zich wil richten naar goddelijk licht wordt belaagd en achtervolgd door het kwaad dat bestaat. Antonius stelt zich teweer tegen de duivel en diens trawanten. Zij verdwijnen en verschuilen zich als in de Schrift (cf. Mt 8,32) in varkens die zich daar neerstorten in het ravijn. ‘Antonius van het varken’ beduidt: Antonius heeft tegen het kwaad gevochten en zo het varken bij uitnemendheid, de duivel, overwonnen.
Derde les: Biograaf Athanasius houdt ons voor de onderscheiding der geesten te betrachten. Onrust geven de slechte, rust geven de goede. Ignatius, stichter van de Jezuïeten, heeft de leer van de onderscheiding der geesten herhaald in zijn Exercitia (Geestelijke Oefeningen). ‘Wanneer slechte geesten te hoop lopen, geeft dat onrust. Wanneer zo’n plotseling opgekomen vrees terstond verdwijnt, weest dan gerust en bidt.’ Oude raad van toen die evenzeer nu geldt in de ongelovig geworden samenleving. Het blijft ons aller taak altijd te overwegen van welke zijde ons raad wordt toegevoegd. Zo laat Athanasius het Antonius zeggen: ‘Bedenkt dat de Heer met ons is. Hij is het Die de demonen heeft gekeerd en ontkracht. Indien de Heer met ons is, staan de vijanden machteloos.’ Wie demonen buiten zich of binnen zich weet te bestrijden, wordt ook minder belaagd door allerlei vormen van bijgeloof. Indien de mens immers niet meer in God gelooft, gelooft hij niet in niets maar gelooft hij in alles.
Gustave Flaubert heeft Antonius’ belaging door demonen in zijn boek La Tentation de Saint Antoine (De Verzoeking van de Heilige Antonius), waarvan de definitieve versie verscheen in 1874, als enig thema gekozen en zo beperkt tot de worsteling tussen mens en duivel. Welke is die verleiding? Het relativisme. De betrekkelijkheid van elke godsdienst. De duivel tracht Antonius te verleiden het Christendom als net zo betrekkelijk te beschouwen als de andere godsdiensten. Een nog actueler thema als in de tijd van Flaubert, nu het enige absolutisme – in intellectuele kringen toegestaan – het relativisme is (naar een uitspraak van Joseph Ratzinger).
Antonius trekt naar de woestijn, dor land van hitte en koude. Anderen volgen hem en willen leven als hij. De woestijn wordt stad van monniken. De kluizen worden tenten van gebed. Elkeen bidt en vast en beijvert zich de Schrift te lezen. Niemand lijdt onrecht. Alleen vrede heerst. Allen delen de overtuiging dat de ziel eeuwig is en het lichaam tijdelijk. Zo wordt de woestijn als een bloeiende tuin, als een paradijs van gelukzaligheid waar de stilte alleen wordt verbroken door Psalmen zingen.
Vierde les: Laat zwijgen geen onderbreking van spreken zijn, maar spreken onderbreking van zwijgen. Zo leert de tong zich te beteugelen en wordt kwaaitongen uitgebannen. Door bezinning in stilte worden we ons gemakkelijker de woestijn in ons zelf gewaar die vraagt om ontginning en aldus leerschool van wijsheid wordt. Stilte is meer nog dan muziek echo van eeuwigheid. Stilte is Gods eeuwige lofprijzing: ‘Bij Hem verstilt mijn ziel’ (Ps 62,2).
Antonius is de vader van de woestijn, de abt die onderricht geeft, leiding neemt, in mildheid vermaant, in nederigheid dient.
Vijfde les: Macht kan genomen worden maar alleen gezag gegeven. Onttrek u nooit aan verantwoordelijkheid en leg steeds verantwoording af. Elk heersen is dienen en elk mens is tot dienstbaarheid geroepen.Dat is zijn schoonste talent. Van leiding gaat bescherming uit. En in geborgenheid schuilt geluk dat gehoor geven bevordert en gehoorzaamheid leert.
In mild vermaan en in nederig dienen krijgt nabijheid gestalte in tederheid en troost. Tederheid paart zich aan wellevendheid die achting inhoudt. Troost paart zich aan liefde die vriendschap heet.
Ogenschijnlijk is tederheid volledig geweken voor grofheid en heeft elke wellevendheid plaats gemaakt voor lompheid. Grof en lomp. Dat heet het gedrag van de Nederlander. Hij moet terug in de schoolbanken van beschaving.
Wat heeft tederheid met troost van doen? Eerst in tederheid en empathie, krijgt troost kans. Want de trooster wil de ander nabijkomen die op zijn beurt van troost gediend moet zijn. In troosten en getroost worden bevroeden we eens te meer hoe zeer wij van elkaar afhankelijk zijn, elkaar behoeven, tot over en weer zijn bedoeld en geboren. En wat wekt de troost bij de getrooste en de trooster beiden nog meer? De zin tot vergeving. In elke dienstbaarheid is vergeving besloten.

II
Niet alleen Antonius maar ook Augustinus, zes jaar jong toen de woestijnvader stierf, laat zich raken en overmeesteren door een enkele Bijbeltekst waarover hij schrijft in zijn Confessiones (Belijdenissen) (VIII,XII,29): Tolle lege, tolle lege (Neem lees, neem lees). Dat hoort hij een kinderstem zingen in Milaan bij buren. Augustinus beluistert daarin de uitnodiging de Schrift ter hand te nemen, die te openen en de eerste daar getroffen perikoop te overwegen. Zo doet hij en leest (Rom 13,13-14): ‘Laten we ons behoorlijk gedragen, zoals op klaarlichte dag [sic], niet in brasserij en dronkenschap, niet in ontucht en losbandigheid, niet in twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jesus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.’ En Augustinus, de minnaar van schoonheid, droogt zijn tranen, keert zich om, bekeert zich en zet zijn vele gaven in voor Christus en Zijn Kerk. Geschoold in antieke rhetorica en Platonische wijsbegeerte en gewapend met een pen, even scherp als schoon, brengt hij als geen ander Joods geloof en Grieks denken samen tot bestendiging van het Christendom. Hij personifieert de grens van Oudheid naar Middeleeuwen, van heidendom naar Christendom, en zet tot verbreiding van het geloof schoonheid in als eigenschap van God.
Worden wij niet uit grootheid en schoonheid van schepselen door vergelijking onze Schepper gewaar, zoals het boek Wijsheid (cf. 13,5) treffend vermeldt? Uit zichtbare goederen kunnen wij Hem leren kennen, zo dat wijze boek verder (cf. 13,1-3): Welke dwaling is tegenwoordig weer ons deel, zoals toen, wanneer wij vuur of wind, sterrenhemel of onstuimig water aanzien voor goden en niet bereid zijn, door die schoonheid bekoord, juist daarin de Heer te erkennen, enige oorsprong van schoonheid.
Door vergelijking gewaar worden. Wat wil dat zeggen? Wij zien de natuur en vermoeden God. Wij beluisteren Bach of Mozart en proeven in afleiding de goddelijke harmonie, de volmaaktheid die alleen God eigen is. En waarin treffen we die vergelijking dagelijks aan, zo wij dat zouden wensen? In de liturgie – het ritueel waarin de mens zich zelf probeert te vergeten om alleen God te prijzen en te danken, te belijden en te smeken. Vanuit de mens is liturgie louter dienst, eredienst en dus dienstbaarheid. Zelf doet hij niet ter zake; want hij richt zich tot God, knielt neer en buigt het hoofd. Geen egocentrisme maar Theocentrisme. In de organisch gegroeide liturgie van eeuwen, die zo objectief mogelijk is om hinderlijke creativiteit van mensen – slechts afleiding van het Christusmysterie – uit te bannen, doet zich het aan God in aanbidding geschonken (teruggeschonken) kunstwerk voor als gevolg waarvan wij hier op aarde de hemelse liturgie door vergelijking op het spoor komen. Liturgie is ademhaling van de Kerk, omdat de Heilige Geest ademhaling aan de Christusgemeenschap geeft in weerwil van schande en schaamte, onwaardigheid en zondigheid van Kerkleden in klerken- en lekenstand.
Liturgie moet schoon zijn. Viering behoeft geen aardse rijkdom maar hemelse. Zij ontleent haar voornaamheid veeleer aan eenvoud, doorzichtigheid, nauwkeurigheid. Slordigheid is uit den boze zoals creativiteit die niet God maar de mens zelf viert, zoals meestal in rituelen die geen liturgie (goddelijke eredienst) zijn, zoals rechtszitting, universitaire promotie of voetbalwedstrijd.
Waarom is kunnen geloven in God eminente rijkdom zonder geld of goederen? De mens zelf behoeft niet middelpunt van de schepping te zijn. De levenszin schuilt niet in hem zelf maar in de Heer. Het is bevrijdend en maakt vrij, als niet de mens zelf belangrijk behoeft te zijn. Zulks bevordert vooral hoogmoed en afgunst. Wat is meest aangenaam aan de mens? Dat hij zich zelf als betrekkelijk ziet. Zelfrelativering is opening naar vrolijkheid, ontspanning, tevredenheid. Wie zich zelf als betrekkelijk beschouwt, ontmoet spoedig op zijn levensweg ironie en humor. Wie niet om zich zelf kan lachen, vergaat elke lach om de ander, voor zover het althans toelachen en niet uitlachen betreft.
Het Christendom is een prachtig geloof en in de Moederkerk wordt veel schoonheid, kunst en vermaak aangetroffen, heerlijk theater dat alle zintuigen mee optrekt naar Onze Lieve Heer. En dat geloof kost niets, zoals Gerard Reve heeft vastgesteld.
Geloven in Christus als de sleutel tot de gehele Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, voert ons binnen in de leerschool van de liefde. Het leert ons twee zaken: Acht God hoger dan u zelf. Hij is boven ons. Zie u zelf niet als goddelijk, al hebben wij deel aan God en woont Hij ook in ons. Acht voorts de ander hoger dan u zelf. Zo wordt de verbinding met God en met mensen onderling opgebouwd tot het ene lichaam, de ene gemeeschap van Christus die nooit exclusief maar altijd inclusief (elk mens insluitend) is bedoeld.
Het Christelijke geloof schenkt hoop, overgave, zingeving. Het is de ware spiritualiteit die niet draait om prettig gevoel maar om leven met God door middel van de Spiritus Sanctus (Heilige Geest). Terwijl Kerstmis ons in kinderlijkheid troost, omdat God mens wordt, bevrijdt ons Pasen van de dood, omdat Christus de poort naar de hemel in het eeuwige leven heeft geopend. Is daarmee ons leven hier niet van belang? Alleszins. Wij zijn op aarde om niet pas in het hiernamaals maar ook al in het hiernumaals gelukkig te zijn. Alleen is het onzin en daarmee zonder zin de gehele levenskaart op de tijdelijkheid hier te zetten. Dat maakt hijgerig, dikbuikig, verwend. Beter zo te leven dat elke dag de dood ons tegemoet kan treden. Dan overvalt hij ons niet. En bij niet te grote hechting aan het leven hier zijn wij ook vrijer, al kennen we slechts de eeuwigheid in geloof. Onthecht leven is onbekommerd leven. Antonius leert ons het afzien om te gezonder te zijn en Augustinus leidt onze blik naar omhoog om te denken aan God in deze preveling (cf. Ps 8,4-5): ‘Als ik de hemelen zie, het werk Uwer vingers, de maan en de sterren – Wie is dan de mens, dat Gij naar hem omziet?’