Antoine Bodar

Leven is louter dienen.

header-05.jpg
 

Geen achterlijkheid maar fierheid

23 juni 2011 |  Antoine Bodar |  Trouw

Toespraak in de Catharina-kathedraal Utrecht bij de overreiking van het eerste exemplaar van de glossy ANTOINE aan Vonne van der Meer 20 I 2011

I
Een jaar geleden heeft de cordaat protestante uitgeverij Boekencentrum te Zoetermeer het plan naar buiten gebracht een voor één keer verschijnend tijdschrift, een zo genaamde ‘glossy’, te wijden aan de Rooms-Katholieke Kerk, geheten de Moederkerk.
Het plan tot deze glossy heeft dus niets van doen met de naderhand naar buiten gekomen schandalen, veroorzaakt door kloosterlingen en priesters, die het beeld van de Kerk zo alleszins hebben geschaad. Predikers, die anderen het voorbeeld meenden te kunnen geven, bleken zelf bij uitnemendheid niet te beantwoorden aan de hoge moraal die zij voorhielden. De troost is schraal dat het hier in hoofdzaak een schande van het verleden zou zijn; want ook heden prediken vossen zonder twijfel de passie. Ook wij immers blijven zwak zoals iedereen.
Gaandeweg het jaar bleef ons redactionele uitgangspunt weliswaar hetzelfde maar de dank tot het maken van de glossy vergrootte zich steeds – met name bij de hoofdredacteur, zelf lid van de Moederkerk. Wat zou in een deerniswekkende periode zoals die van nu meer troostrijk kunnen zijn dan althans te proberen nieuwe moed, nieuw élan, nieuwe fierheid voor te staan om de eeuwen oude Christusgemeenschap in ons land iets van haar jeugd en vitaliteit terug te geven.
Het komt hedentendage regelmatig dat een katholiek zich publiek moet verantwoorden voor het gegeven dat hij nog katholiek is. En hoe zwaar valt het menigeen zich te verdedigen tegen het publieke woordengeweld tegen de Kerk die gemakshalve voor achterlijk wordt gehouden juist door diegenen die amper of in het geheel niet gehinderd worden door kennis of informatie omtrent het ‘instituut’ dat hier in vaderlandse bescheidenheid voor ‘niet meer van deze tijd’ wordt gehouden. Maar de Kerk is niet alleen menselijke instelling. Zij is met Christus verbonden instituut èn door Hem bedoelde gemeenschap – Zijn lichaam of Zijn bruid (naar Paulus) – die blijft en zonder uitzondering zich richt op de Bijbel en rekening houdt met de Traditie waarin de Heilige Schrift ons is geschonken.
Wie in het buitenland woont of met regelmaat daar verkeert, krijgt weet van de veelheid aan mentaliteiten die de globaliserende wereld telt. De katholieke Kerk is Wereldkerk en leeft dus met de vele mentaliteiten die de aarde kent. Het is daarom dat zij – ondanks zwakheid en zondigheid van vooral haar zonen maar ook haar dochters – niet anders kan en wil dan het ideaal voorhouden inzake geloof en zeden. Dat ideaal koesteren beduidt geen ouderwetsheid, zoals hier te lande veelal aangenomen, maar omgaan met regels in samenspraak met een goed gevormd geweten.
Het gekoesterde ideaal valt in menselijkheid zelden of nooit samen met de werkelijkheid. Altijd blijft dus spanning bestaan – leerzame en tevens gezonde spanning – tussen leer en leven, theorie en praktijk, ideaal en werkelijkheid.Wie zo over de Kerk kan denken, voelt zich nimmer door Haar belaagd of gekleineerd, maar veeleer bemoedigd en getroost.
De Nederlandse critici en criticasters ten aanzien van de Rooms-Katholieke Kerk zouden eerst meer kennis moeten vergaren en voorts het door Haar voorgestane ideaal moeten overwegen alvorens het begrip ‘achterlijk’ in dezen in de mond te nemen en tot direct oordelen over te gaan. Wij zijn niet achterlijk maar willen in grootste pastorale zorg en diepste empathische mildheid niet meedoen aan de luim van de dag en de waan van de week.
Wat was het redactionele uitgangspunt voor deze ‘enige echte katholieke glossy’?
In weerwil van schaamte en schande die de katholieke Kerk nadien zou overkomen bleef dat het onder ogen brengen van de schoonheid en de cultuur en de troost die haar door de eeuwen heen aankleeft.
Antonius waren de ogen tot God geopend, toen hij uit het Evangelie van Matteüs (19,21) beluisterde: ‘Wilt ge volmaakt worden, ga naar huis en verkoop hetgeen u bezit en geef het aan de armen en volg Mij.’ En zo doet de Egyptenaar. Hij weet te kiezen en is in zijn keuze standvastig. Hij trekt zich terug in de eenzaamheid van de woestijn om God te ontmoeten en de woestijn – ook die in zichzelf – tot bloei te laten komen en zo vader voor de hem volgende kluizenaars te worden. In navolging van Antonius laat Augustinus zich ook door een enkele Bijbeltekst raken en overmeesteren. Wij weten het uit zijn Confessiones (Belijdenissen) (VIII,vi.xii): Tolle lege, tolle lege (Neem lees, neem lees). Dat hoort hij een kinderstem zingen in een naburige tuin. Augustinus beluistert daarin de uitnodiging de Schrift te openen en de eerste daar getroffen perikoop te overwegen. Zo doet hij en leest in Paulus’ brief aan de Romeinen (13,13-14): ‘Laten we ons behoorlijk gedragen, zoals op klaarlichte dag [sic], niet in brasserij en dronkenschap, niet in ontucht en losbandigheid, niet in twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jesus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.’ En Augustinus, de minnaar van schoonheid, droogt zijn tranen, keert zich om, bekeert zich en zet zijn vele gaven in voor Christus en Zijn Kerk. Geschoold in antieke rhetorica en Platonische wijsbegeerte en gewapend met een pen, even scherp als schoon, brengt hij als geen ander Joods geloof en Grieks denken samen tot bestendiging van het Christendom. Hij personifieert de grens van Oudheid naar Middeleeuwen, van heidendom naar Christendom, en zet tot verbreiding van het geloof schoonheid in als eigenschap van God.

II
Wij worden uit grootheid en schoonheid van schepselen door vergelijking onze Schepper gewaar, zoals het boek Wijsheid (cf. 13,5) treffend vermeldt. Uit zichtbare goederen kunnen wij Hem leren kennen, zo dat wijze boek verder (cf. 13,1-3): Welke dwaling is tegenwoordig weer ons deel, zoals toen, wanneer wij vuur of wind, sterrenhemel of onstuimig water aanzien voor goden en niet bereid zijn, door die schoonheid bekoord, juist daarin de Heer te erkennen, enige oorsprong van schoonheid.
Door vergelijking gewaar worden. Wat wil dat zeggen? Wij zien de natuur en vermoeden God.
Het landschap dat ruim blik geeft doet ons aangenaam klein worden – nietig in die gunnende weidsheid maar tevens nietig in de tijd. Want hetzelfde landschap zag het voorgeslacht en ziet het nageslacht. Wie zou dat niet zijn nakomelingen gunnen? We zouden daarom het landschap meer moeten sparen en verzorgen. Zo zou het landschap dan alleen in de wisseling van seizoenen veranderen. En zo wordt het zicht op eeuwigheid. Natuur is als het boek dat God opent bij het opstaan en sluit bij het slapen gaan. Hij wekt op Zijn schepping te bekijken, te genieten, te beschouwen en zo Zijn aanwezigheid te vermoeden. En neigt de dag ten einde en valt de duisternis, Hij gebiedt ons rust en vrede terwijl Hij in stilte waakt.
Schoonheid betreft ook de kunsten. Liever de dienende en daardoor communicerende kunsten dan de zelfmiddelpuntige en al te conceptuele waarbij een boekwerk van exegese noodzakelijk wordt. In ons tijdsgewricht is het de opdracht aan de kunsten opnieuw een verbond aan te gaan met de schoonheid. Laten de kunsten verheffen in plaats van verlelijken. Laten zij in dienstbaarheid communiceren. Wat wordt hier dan verstaan onder kunst? Kunst is ambachtelijkheid die zich paart aan bevlogenheid. Geen kunst zonder kunde.
Wij beluisteren Gregoriaans of Monteverdi, Bach of Mozart en proeven in afleiding de goddelijke harmonie, de volmaaktheid die alleen God eigen is. Wij kennen de troost van de kunsten, zoals Schopenhauer ons treffend voorhoudt. En welke is naar zijn inzicht de hoogste kunstvorm? De muziek. Echo van Gods eeuwigheid. Het zijn de kunstwerken die blijven en aldus vermaken en aansporen ook het christelijke ideaal niet te verliezen of te begraven maar met trots en gloed uit te dragen. En het zijn de kunstenaars die geroepen zijn te scheppen zoals de Schepper en zo hun dienstbaarheid aan de mensheid te betrachten.
En waarin raakt het kunstwerk bij uitnemendheid de godsdienst? En waarin treffen we in vergelijking tussen Gods eeuwigheid en menselijke dagelijksheid schoonheid eenvoudigweg onmiddellijk aan? In de liturgie – het ritueel waarin de mens zich zelf probeert te vergeten om alleen God te prijzen en te danken, te belijden en te smeken. Vanuit de mens is liturgie louter dienst, eredienst en dus dienstbaarheid. Zelf doet hij niet ter zake; want hij richt zich tot God, knielt neer en buigt het hoofd. Geen egocentrisme maar Theocentrisme. In de organisch gegroeide liturgie van eeuwen, die zo objectief mogelijk is om hinderlijke creativiteit van mensen – slechts afleiding van het Christusmysterie – uit te bannen, doet zich het aan God in aanbidding geschonken (teruggeschonken) kunstwerk voor als gevolg waarvan wij hier op aarde de hemelse liturgie door vergelijking op het spoor komen. Liturgie is ademhaling van de Kerk, omdat de Heilige Geest ademhaling aan de Christusgemeenschap geeft in weerwil van onwaardigheid en zondigheid van Kerkleden in klerken- èn lekenstand.
Waarom is kunnen geloven in God rijkdom (zonder geld of goederen)? De mens zelf behoeft niet middelpunt van de schepping te zijn. De levenszin schuilt niet in hem zelf maar in de Heer. Het is bevrijdend en maakt vrij, als niet de mens zelf belangrijk behoeft te zijn. Zulks bevordert vooral hoogmoed en afgunst. Wat is meest aangenaam aan de mens? Dat hij zich zelf als betrekkelijk ziet. Zelfrelativering is opening naar vrolijkheid, ontspanning, tevredenheid. Wie zich zelf als betrekkelijk beschouwt, ontmoet spoedig op zijn levensweg ironie en humor. Wie niet om zich zelf kan lachen, vergaat elke lach om de ander, voor zover het althans toelachen en niet uitlachen betreft.
Het Christendom is een prachtig geloof en in de Moederkerk wordt veel schoonheid, kunst en vermaak aangetroffen, heerlijk theater dat alle zintuigen mee optrekt naar Onze Lieve Heer. En dat geloof kost niets, zoals Gerard Reve heeft vastgesteld.
Geloven in Christus als de sleutel tot de gehele Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, voert ons binnen in de leerschool van de liefde. Het leert ons twee zaken: Acht God hoger dan u zelf. Hij is boven ons. Zie u zelf niet als goddelijk, al hebben wij deel aan God en woont Hij ook in ons. Acht voorts de ander hoger dan u zelf. Zo wordt de verbinding met God en met mensen onderling opgebouwd tot het ene lichaam, de ene gemeenschap van Christus die nooit exclusief maar altijd inclusief (elk mens insluitend) is bedoeld.
Het Christelijke geloof schenkt hoop, overgave, zingeving. Het is de ware spiritualiteit die niet draait om prettig gevoel maar om leven met God door middel van de Spiritus Sanctus (Heilige Geest). Terwijl Kerstmis ons in kinderlijkheid troost, omdat God mens wordt, bevrijdt ons Pasen van de dood, omdat Christus de poort naar de hemel in het eeuwige leven heeft geopend. Is daarmee ons leven hier niet van belang? Alleszins. Wij zijn op aarde om niet pas in het hiernamaals maar ook al in het hiernumaals gelukkig te zijn. Alleen is het onzin en daarmee zonder zin de gehele levenskaart op de tijdelijkheid hier te zetten. Dat maakt hijgerig, dikbuikig, verwend. Beter zo te leven dat elke dag de dood ons tegemoet kan treden. Dan overvalt hij ons niet. En bij niet te grote hechting aan het leven hier zijn wij ook vrijer, al kennen we slechts de eeuwigheid in geloof. Onthecht leven is onbekommerd leven.
Antonius van Egypte leert ons het afzien om te gezonder te zijn en Augustinus van Hippo leidt onze blik naar omhoog om te denken aan God in deze preveling (cf. Ps 8,4-5): ‘Als ik de hemelen zie, het werk Uwer vingers, de maan en de sterren – Wie is dan de mens, dat Gij naar hem omziet?’

III
Dit voor één keer verschijnende tijdschrift Antoine is het derde in deze reeks na Calvijn en Arminius. Na erfgoed vanuit de Reformatie te hebben belicht, nu dat van de Moederkerk.
Wie is Antoine, precieser Antoine l’Abbé? Hij is de vader van het christelijke monnikendom – vandaar abt (hij die als een vader leiding geeft) – zowel van de kluizenaars als van de kloosterlingen.
Antonius volgt hier op Calvinus en Arminius maar gaat vele eeuwen aan hen vooraf. Hij leefde van omstreeks 251 tot omstreeks 356 in Egypte. De Kerk gedenkt hem elk jaar op 17 januari.
De naamdrager van dit tijdschrift is hiermee verklaard; over deze woestijnvader leest u in het tijdschrift, zoals ook over de Kerkvader Augustinus. Beiden zijn getuigen van de vroege, nog ongedeelde Kerk.
In samenspraak met de vormgevers Wim van de Hulst en Marion Rosendahl en in overleg met de bladmanager Steven Schenk hebben uitgeverij en redactie (Beppie de Rooy en Inge Slings en spreker dezes) gepoogd een bemoedigend beeld te geven van de Kerk, de Ecclesia Romana, op grond van haar erfgoed en haar nog te vererven goed van heden – beide met blik op de toekomst. Daarom komen jonge kloosterzusters aan het woord en vitale priesters. Zij staan voor de monterheid van de Kerk. Zij voegen zich als levende stenen in de levende Christusgemeenschap.
Toch doet dat ook de kunst van toen en van nu, getuigenissen uit de geschiedenis en van het heden die samen de voortgaande traditie en daarmee de cultuur vormen. Hierop ligt in het tijdschrift Antoine nadruk.
Het zijn de kunstwerken die blijven en aldus troosten en aansporen het Christelijke ideaal niet te verliezen of te begraven maar met fierheid en gloed uit te dragen. Wat wordt hier dan verstaan onder kunst? Ambachtelijkheid die zich paart aan bevlogenheid. Want geen kunst zonder kunde.
In dit tijdschrift naast de Bossche Sint Jan van toen, nagenoeg volledig gerestaureerd, de Abdijkerk van Vaals van nu, vooral in het buitenland als bijzonder erkend. Hedendaagse beeldende kunst naast Leidse koorboeken van vroeger en zo nog een en ander.
De Moederkerk is eenkennigheid vreemd. Zij is zich bewust van de ene bedding met meer stromen binnen het Nederlandse Christendom. Ook daarvan geeft dit blad blijk – vooral in de vraaggesprekken tussen een katholiek en een protestant.
Ten slotte is hier verstrooiing niet weggelaten, zoals een katholiek recept, alsof niet elk goed eten katholiek eten zou zijn – het begrip ‘smulpaap’ indachtig.
Alvorens de glossy die staat onder het patronaat van Antonius van het varken – het varken staat voor de door de woestijnvader overwonnen demonen – aan u voor te stellen en het eerste exemplaar aan Vonne van der Meer te overhandigen, past het mij woorden van dank te spreken:
Ik dank de uitgeverij voor de gelegenheid dit katholieke tijdschrift voor één keer te publiceren en voorts voor het in mij gestelde vertrouwen als hoofdredacteur op te treden. Ik dank Inge Slings en Steven Schenk en zonder beiden te kort te doen in de eerste plaats Beppie de Rooij, met wie ik bijna dagelijks in overleggend mailcontact heb verkeerd en dat op de meest prettige en collegiale wijze.
Ik dank Wim van de Hulst en Marion Rosendahl, die niet alleen samen vorm hebben gegeven aan dit tijdschrift maar die evenals Beppie de Rooij steeds zich dienstbaar hebben willen maken aan dit project. Wij werkten voor fotosessies plezierig samen in ‘s-Hertogenbosch, Vaals en Rome.
Ik dank alle schrijvers en kunstenaars die belangeloos en dus in dienstbaarheid een bijdrage hebben geleverd aan deze katholieke glossy. Zonder hen zou dit tijdschrift helemaal niet hebben kunnen verschijnen. Ik dank alle adverteerders, die vaak in hun boodschap de sociale kant van de Kerk naar voren hebben gebracht; Zij hebben mede deze uitgave geldelijk mogelijk gemaakt.
Het verheugt mij dat deze presentatie mag plaats vinden in de metropolitane kerk van de Nederlandse Kerkprovincie, het huis van God waar ik zo vaak op zondagavond de Latijnse Hoogmis heb mogen opdragen. Ik dank het Catharijneconvent, het museum dat ons Christelijke erfgoed hoedt en dat ons nu gastvrijheid verleent. Ik dank het Egidius Kwartet hier voor ons van middag te willen optreden en zo de feestelijkheid van deze gebeurtenis te verhogen. Ik dank u allen vanmiddag naar Utrecht te zijn gekomen om deze presentatie met uw aanwezigheid te vereren.
Ik begroet de schrijfster Vonne van der Meer. In weerwil van het geestelijke klimaat in Nederland, dat wij gerust antipapistisch kunnen noemen, schrikt zij er niet voor terug in haar romans en verhalen christelijke, ja zelfs katholieke thema’s te verwerken. Daartoe is moed vereist. Ik dank u, Vonne, voor uw moed en uw standvastigheid zonder omhaal en uw vanzelfsprekendheid geloofskwesties eenvoudigweg in uw werk een rol te laten spelen. Juist fictie geeft te levendiger gestalte aan hetgeen de mens beweegt en daartoe behoort ook spiritualiteit en godsdienst. Ik dank u daarom te meer dat u bereid bent het eerste exemplaar van de ‘enige echte katholieke glossy’ te willen aannemen.

[overhandiging]

Het tweede en het derde exemplaar zijn bedoeld voor hen die deze glossy zonder onderbreking hebben geleid; want ten slotte is de hoofdredacteur in dezen vooral de persoon die pronkt met andermans veren.
Ik dank Beppie de Rooy voor haar liefdevolle en enthousiaste samenwerking en ik dank Wim van de Hulst en Marion Rosendahl voor hun niet aflatende inzet de glossy uiterlijk te hebben doen worden wat die naar innerlijk heeft geprobeerd te zijn.