header-05.jpg
 

Enig te gane weg

22 november 2008 |  Antoine Bodar |  Trouw

Gij waart mij te sterk Jr 20,7

Ben ik een man van wetenschap geworden? Ik ben begonnen met studeren en ga daarmee voort. Wetenschap beschouw ik als ordening – orde brengen in chaos. Cultuur in zin van letteren en kunsten, denken en godsdienst – op dat gebied beweeg ik mij eniger mate. Beoefenaren van natuurwetenschappen zouden een en ander kunnen weten. Die van menswetenschappen denken dat waarschijnlijk van wel. Die van cultuurwetenschappen weten dat van niet. Zo meen ik.
Klemmend is mij dus de kwestie niet tussen geloof en wetenschap.
Voor gelovig houd ik mij, voor zover door Gods genade daarin geholpen. Houd ik mij ook voor wetenschappelijk? Eigenlijk niet, al is verwondering mij niet vreemd. Wellicht ben ik meer vertrouwd met altijd lege handen en met nimmer weten – èn in wetenschap èn in geloof. Niettemin ga ik ten slotte de voor mij enig te gane weg, omdat Hij mij heeft overreed en ik niet tegen Hem bleek opgewassen.
I
De Kerk heeft me tot God gebracht. Als kind heb ik vage herinneringen aan kerkbezoek – de Vitus in Bussum, het dorp waar we als jong gezin even hebben gewoond en de kathedraal van Sint Jan in ’s- Hertogenbosch, de stad waar we thuis zijn. Op mijn vijfde verjaardag verhuisden we van Bussum naar Amsterdam. Daar behoorden we tot de grote parochie van Sint Willibrord, de kathedraal-achtige kerk van Pierre Cuypers aan de Amsteldijk. En daar, in die kerk, ben ik waarschijnlijk God voor het eerst gewaar geworden. Daar ging ik iedere ochtend naar de Heilige Mis, daar werd ik als jongen van zes of zeven misdienaar, daar was ik te vinden alle uren van vrije tijd – voor zover ik niet met vriendjes of zusjes ‘misje’ of ‘schooltje’ speelde of aangenaam thuis zat bij mijn moeder. Daar naast de kerk ging ik school bij de broeders van Maastricht waar ik bleef tot het gymnasium van de paters jezuïeten, het Ignatiuscollege aan de Hobbemakade.
Het waren de karige jaren vijftig, toen tevredenheid troef was, soberheid een deugd, wellevendheid een gewoonte.
De liturgie heeft me tot Christus gebracht. Als kind ben ik die wereld binnengevoerd – waarschijnlijk toen wel vermoedend maar nog niet reflecterend dat in dat gezamenlijke kunstwerk de hemel de aarde kust. Geraakt door Gods verhevenheid, waaraan wij allen gezamenlijk op aarde alvast gestalte pogen te geven, wilde ik innig daaraan deel krijgen. Wat was als heerlijker te bedenken? Nu alvast gelukkig zijn in Gods nabijheid en dan – na priester te zijn gewijd – op door Christus gegunde wijze in Hem te verdwijnen en zo in Zijn heilige Naam rond te gaan en mensen te troosten. Niet alleen door liturgie te vieren in de Eucharistie maar ook door hen te onderrichten in het geloof en in de Biecht dicht bij te komen. Later dan nog eens zou mij zoals elkeen de dood overkomen en zou de liturgie in de hemel worden voortgezet, maar dan niet meer menselijk onvolkomen maar voor Gods majesteit in Zijn volkomenheid.
De toen ondergane schoonheid heeft mij als kind al thuis doen komen in de Kerk – in die hartelijke gemeenschap van gelijkgezindheid van volhardend bidden en stemmingsvol vieren, al naar gelang het liturgische jaar bepaalt. En dat in de traditie van eeuwen als gevolg waarvan bij leven hier al tijd als iets alleen menselijks opgaat in Gods eeuwigheid.
Wat is me als jonge jongen overkomen telkens bij betreden van het kerkgebouw, Gods eigen huis? Christus’ aanwezigheid onder de gedaante van brood in het tabernakel dan wel van tijd tot tijd als zodanig onder het Lof (de middag- of avond-eredienst God alleen te aanbidden en lof te prijzen) in de monstrans. Gods stille wenking in de lege kerk – in weidsheid van architectuur, in heilsverhalen in gebrandschilderde ramen, in altaren en kruiswegstaties, bovenal in de vlam van de godslamp bij het sacramentsaltaar. Voorts Gods spreken in de Heilige Schrift, toen niet alleen te beluisteren in de liturgie maar meer uitgebreid elke ochtend op school. Gods directe wenking in katechismus die terstond vorm krijgt in velerlei soort van liturgie en dus sacramenten met als dagelijks hoogtepunt de Heilige Mis. Hoe natuurlijk was het dikwijls van school te worden weggeroepen en naast Huwelijksmissen Rouwmissen te dienen? Missen van Requiem bewogen mij meer dan die van Trouwerij. De tweede waren mij toen meer vreemd dan de eerste.
En wat dagelijks in en rond de kerk geschiedde, zette zich voort thuis in de verborgenheid van verbondenheid met Jesus, in vroomheid die vervreemdend moet zijn geweest – tot zorg van mijn ouders en tot spot van mijn grote broer.
Dierbaarste herinnering blijft de liturgie. Met het Latijn dat ik toen kinderlijk heb geleerd. Met het Gregoriaans, dat ik meteen heb leren zingen – tot heden echo van elk hemels gezang. Met de gestyleerdheid van elke viering die daardoor los maakt van gewoon leven en dagelijksheid onderbreekt in verheffing van hart. In kaalheid en zo afwezigheid van elke versiering in Advent en Vasten en in rijkheid en zo aanwezigheid van alle versiering met bloemen en kaarsen in Paastijd en de mij liefste van alle jaargetijden – toen en nu – Kersttijd. En zo nog meer: juist niet en juist wel wieroken, juist niet veel licht of juist wel, juist eenvoudige door de priester te dragen paramenten of juist feestelijk uitgedoste. Alle viering naar de maat die de liturgie van de Kerk leert en bewust doet worden.
Van al die ervaren schoonheid is de muziek mij altijd het meest troostend gebleven, al verkeerde later het hart bij beluistering altijd in droefheid om teloor gegaan geluk, in verlangen naar hetgeen uitgewist leek, in heimwee naar hetgeen mij in kindertijd was ten deel gevallen.
Zo veel geschenken van toen deden de hemel beleven. Zo veel alleenheid nadien deden de hemel voor onwerkelijk houden. Maar zo gebeurde nog niet in gymnasium-tijd maar nam eerst later aanvang verder in de jaren zestig waarin meesttijds oudere leeftijdgenoten de kop definitief bleken te hebben verloren.
Na de lagere school had ik naar het seminarie willen verhuizen om het gymnasium passend te combineren met de voorbereiding tot het priesterschap. Maar de broeder-onderwijzer van de zesde klas was de ouders komen afraden daartoe toestemming te geven. Kort nadien bleek hij uitgetreden. Ik bleef dus in Amsterdam. Met Jezuïeten ben ik sedertdien vergroeid geraakt – soms tot onvreugde, meestal tot vreugde – hoewel altijd iets van ongemakkelijkheid jegens hen is gebleven. De dagelijkse gang naar de kerk aan de Amsteldijk werd vervangen door de dagelijkse naar de kapel aan de Hobbemakade – geheel in overeenstemming met de toen door Jezuïeten opgelegde opvoedingsmethode: Alles in college-verband tot sport en kerkbezoek toe. Geestelijk ben ik gewoon verder gegroeid en blijf ik de Jezuïeten van toen dankbaar. Mijn vroomheid hebben ze gelaten en begeleid.
Het priesterschap wenkte reeds, al bleef ik zelf verlangen naar de beslotenheid van het seminarie. Daartoe kreeg ik toestemming vanaf de tweede klas en kwam terecht bij Assumptionisten in Boxtel – geen juiste keuze. Na anderhalf jaar werd ik lang ziek, vermoedelijk als gevolg van te streng betrachte ascese, armoede, koude, slecht voedsel, buitenleven niet overeenkomend met mijn mate van robuustheid. Om aan te sterken werd ik naar een jeugdboerderij op de Veluwe gestuurd, waarschijnlijk geleid door Salesianen. Daarvan herinner ik mij naast het sneeuwlandschap, het lezen van een dikke levensbeschrijving van Don Bosco die mij verkwikte en een wandeling met de geestelijk leider daar die mij verdriette. ‘Aan het soort “heiligen” als jij bent, heeft de Kerk niets.’ Zo hield hij mij voor. Maar ik begreep daarvan niets.
Nu waren mij de Benedictijnen van Egmond al van kindsbeen af bekend. Hun contemplatieve leven achter de muren oefende grote aantrekkingskracht uit wegens sobere eenvoud in afzondering en radicaliteit van keuze in overgave.
Ik verloor zo een jaar voor school en keerde terug naar de Jezuïeten in Amsterdam – priesterroeping als voorheen maar zelfvertrouwen gehavend. Ik diende weer de Mis in de kapel van het Ig en ging zingen in het koor van Bernard Huijbers, waar steeds minder het Gregoriaans werd beoefend en steeds meer de liedkunst van Huub Oosterhuis – tot mijn ongenoegen. Beide kunstenaars zouden niet te lang nadien de Jezuïetenorde verlaten en in de wereld verder leven. Maar sedert de terugkeer naar het Ignatiuscollege is het met mij op school toch niet meer goed gekomen. In een volgende klas bleef ik zitten en werd daarom weggestuurd. Te dom, althans niet intelligent genoeg, om het gymnasium te voltooien en dus priester te kunnen worden.
Te zelfder tijd nam het Tweede Vaticaans Concilie een aanvang – de Kerkvergadering met de open ramen, als gevolg waarvan althans in Nederland niet alleen veel van het geloofsgoed wegwaaide, na vier eeuwen een nieuwe beeldenstorm over de noordelijke gewesten voer, maar vóór alles elke schoonheid van liturgie en elke binnenzijde van het geloof moesten wijken voor toegankelijke platheid die snapbaar heette en voor de buitenzijde van het geloof waaraan het doen genoeg leek te zijn.
Het waren de rampjaren zestig die zouden voortduren tot in de jaren zeventig (en bij sommigen nog steeds niet zijn uitgewoed tot de dood ook hun eindelijk die waan ontneemt).
II
Na de school verliet ik weldra het ouderlijk huis en op den duur de Kerk – ik ging althans niet meer met regelmaat naar de liturgie. Crisistijd met als dieptepunt even voorbij het midden van de jaren zestig, toen ik liever het tijdelijke voor het eeuwige had gewisseld. En God? Van die tijd weet ik alleen het heimwee naar Hem Die mijn jeugd had verblijd.. Waar was Hij? Ten minste ver weg.
Het leven moest tevens een wending nemen om voort te kunnen gaan – of Hij Zich nu schuil zou houden of louter verwijderd of helemaal niet bestaand. Het was zaak vooral wat te doen om brood te vinden en weinig te denken hetwelk alleen de zin van leven ter overweging zou laten. Hoe God op de achtergrond te krijgen, voor zover dat bewust is geweest, en tevens ‘zinvol’ bezig te geraken? Op drieërlei wijze – in verrichten van veel werk, in lezen van vooral oudere romans, in aanleren van vaardigheden. Dat laatste had van doen met theater en muziek, dat lezen met levensspiegels, dat werken met levende mensen.
Blij beschouwd was het van meetaf aan de idee het weinige, waartoe ik niet te dom heette, verder te ontwikkelen zoals spreken en zingen. Voorts mijn liefde voor de letteren evengoed te blijven koesteren. Uit het werk van Couperus toonde toen het boek Metamorfoze een andere kant in eigen karakter. En op andere wijze niet minder uit het werk van Dostojevski Mémoires uit het souterrain. Na omzwervingen langs baantjes tot bekostiging van onderdak en tot vermijding van verhongering bleek onverwacht een simpele kunde waartoe geen opleiding bestaat. En zo zag het ernaar uit alsnog voor iets te deugen.
Via het archief van een dagblad was ik binnengeraakt bij de omroep. En daar hoefde ik alleen maar te luisteren, onderwijl iemand een microfoon onder de neus houdend – eerst bij radio, later ook bij televisie. Die luisterschool heeft me niet minder gevormd dan de afgebroken schoolopleiding voordien.
Met een snel verdiende automobiel met kracht van twee paarden – deux chevaux – reed ik veel heen en weer naar Hilversum. En zo kwam ik te vaak langs bouwval en bouwput aan de Amsteldijk waar in 1970 de sloop van Sint Willibrord definitief was voltooid.
Maar welk wereldbeeld was mij inmiddels eigen geworden? Niet een enkele maar verscheidene.
Zo het beeld van Nederlandse liberaliteit, erfgoed van aanvankelijk Franse Verlichting. Voortleven alsof na de Oudheid nooit meer werkelijk bijdrage aan beschaving is geleverd. Modern heidendom derhalve – de mens is enig middelpunt van leven totdat de dood volgt.
Zo het beeld van Nietzsche, volgens wie wij zo zouden moeten leven zodat wij steeds weer opnieuw zo zouden willen en kunnen leven. Een leven alsof God niet bestaat, maar wij evengoed voorttobben in het ondermaanse – een variant op de zo genoemde kategorische imperatief van Kant – godsdienst, nodig om ons maat aan moraal te geven.
Zo het beeld van Huizinga, volgens wie elke cultuur te maken heeft met streven en met rekenschap geven en wiens jongste boeken gewag maken van noodzakelijk metafysisch besef, wil een beschaving überhaupt kunnen overleven.
Door aldus samen te vatten ben ik al uit de loutere omroepperiode aangeland in die van de universiteit. Voorafgaand al maar vooral volgend op het staatsexamen gymnasium is studeren nooit meer overgegaan In dat kader behoorden Nietzsche en Huizinga tot de eersten die ik las.
Studie heeft mij enig zelfvertrouwen teruggegeven – hoogst onafhankelijk van eigen tijdgenoten. Studie heeft mij tamelijk teruggebracht tot God Die niet meedoet aan bijziendheid in onze tijd maar benevens onder ons hier en tijdelijk ook eeuwig daar in de hemelen woont.
De wetenschap heeft me teruggebracht tot God. Dat wil zeggen: mijn soort van wetenschap. Wijsbegeerte eerst en voorts vooral beeldende kunsten van Middeleeuwen en Renaissance – afgezien van het altijd blijvende Gregoriaans. Vaak heb ik Gregoriaans beluisterd en tevens de tekst ervan overwogen en zo liturgie van eeuwen stil in mijn binnenkamer verlangend beleefd. Want ik zag af van gang naar ‘creatieve’ liturgie in huiselijk gemaakt kerkgebouw.
Openen en nog eens openen van boeken brachten Plato in het midden, wiens wereldbeeld grootste troost levert. Niet het zijn hier is wezenlijk maar het zijn in de eeuwigheid. Niet wat zichtbaar is, blijkt doel, maar wat onzichtbaar is. Niet wat telkens verandert, is wezenlijk, maar wat steeds blijft. Door Plato langs Plotinus lag de weg open naar Augustinus. Zo is het gegaan. In Augustinus kwamen voor mij wereldbeelden samen. Eens in gesprek met een leermeester toen in Leiden liet ik mij ontvallen natuurlijk alleen nog Augustinus te zullen lezen, indien de dood aanstaande zou zijn. Dit klinkt hier wat zwaarwichtig maar is het in het geheel niet, vermits de dood mij nagenoeg dagelijks aandacht vraagt. En heeft Huizinga niet opgemerkt dat een historicus meesttijds eniger mate doodsgericht zou moeten zijn? Die eigenschap paste alvast. Wat was het dan dat mij in Augustinus zo aantrekkelijk voorkwam?
Augustinus is een geleerde van smaak. Hij paart hedendaags levensgevoel aan geloof. Hij verenigt Platonisme met Christendom. Hij kiest voor Christus zonder omringende cultuur te verloochenen maar wel richting te geven. Hij geeft alle talenten aan Christus en Zijn bruid die de Kerk is. Zijn bekering heeft hem nederig gemaakt waardoor zijn zelfbewustzijn alleen aan Christus dienstbaar is geworden. De man van smaak, die in Christus al het door hem in de wereld verworvene aan Zijn Kerk tracht terug te geven. En wat verwoordt Augustinus meesterlijk? Het diepe verlangen naar God – bij Hem zich zelf te mogen zijn, Hem alles op te biechten en te vertellen en Hem in enen te bedanken dat Hij onze God wil zijn, Hem niets te vragen tenzij te mogen worden waartoe Hij ons bedoelt en zo Hem mede gestalte te geven – ook in hetgeen we opschrijven en uitspreken.
Kunstgeschiedenis, na geschiedenis en wijsbegeerte mijn derde reguliere studie, heeft mij meteen gepakt. Ik ben altijd nog verbaasd over het geluk dat mij toen overkwam. Ik zweefde door de studie heen en kwam geheel thuis in die periode, waaromtrent Huizinga mij al had geleerd in Herfsttij der Middeleeuwen. Dat kwam wellicht door enige aanleg mijnerzijds maar evenzeer door een docente die zowel staand in het katholieke geloof als ook kundig in Vlaamse kunst mij om zo te zeggen zonder zulks zelf te weten heeft teruggebracht naar de Kerk van eeuwen en zo ook naar die van mijn jeugd. Aangezien ik als kind al tamelijk wat wist van Christelijk erfgoed en zo ook van ikonografie, was daar vooral feest van herkenning. En natuurlijk leerde ik ijverig bij zoals ik nog steeds probeer te doen.
Het woord is wel hoger dan het beeld, heeft de piester-kunsthistoricus Frits van der Meer mij eens onderricht, maar het beeld is dichter bij. En zo is het. In beelden beleefde ik onmiddellijk veel van hetgeen op achtergrond was geraakt en zo veel beelden van voorheen kwamen terug in herinneringen – zo ook schilderingen in ramen en op wanden van Sint Willbrord in Amsterdam.
Mijn God, voor zo dom ging ik inmiddels niet meer door en waarom niet terugkeren, in weten van Gods oneindige barmhartigheid, naar dromen van vroeger en naar diepst mij drijvend verlangen?
Ik beken dat terugkeren naar God en dus naar Christus en dus naar de Kerk in enen beduidde terugkeren naar de roeping tot priester. Midden jaren zeventig ben ik al eens gaan kloppen aan de poort van de theologische opleiding in Amsterdam, maar de diepe horizontaliteit en de vlakke verticaliteit, gevoegd bij gemeenzaamheid van omgang en sociologische bepaling van belangrijkheid, deden mij terugschrikken. Daarenboven moesten eerst andere studies worden voltooid en zou ik onvermoed gaan doceren aan de Leidse universiteit (waar ik in die hoedanigheid de aangenaamste tijd van mijn leven heb doorgebracht).
Maar wat leerden eigen studieverblijven buiten Nederland en niet minder excursies met studenten in het buitenland die benauwende grenzen van het vaderland even deden vergeten om buiten verder te zien dan het polderland plat is? Veel, verzeker ik. Het kleeft niet alleen de Moederkerk aan wereldwijd te zien, ook de kunsten – niet minder dan de liefde – zijn internationaal. Waar taal, en zo literatuur, enige beperking oplegt, openen niet talige kunsten terstond alle grenzen.
Hoe ging nu de terugkeer naar de Heer samen met studeren enerzijds en met doceren anderzijds? Tien jaren volgden van intenser beleefd heimwee en van bescheiden uitgedragen belijdenis. Zo breed mogelijk studeren heb ik natuurlijk voortgezet en zo ook op dergelijke wijze doceren.
Verbonden aan de universiteit had ik twee specialisaties – enerzijds beeldende kunsten van Middeleeuwen en Renaissance, anderzijds reflectie op kunsten in het algemeen van Oudheid tot heden. Onderwijs in beiderlei is mij gemakkelijk afgegaan waar het geloof en wetenschap betreft. Altijd heb ik erop toegezien eigen geloofsovertuiging te scheiden van te geven onderricht. Mate van ironie met relativering en zelfrelativering is daarbij passend wapen. Nochtans zal menig student van begin af aan gemerkt hebben waarheen persoonlijke voorkeur meer of minder uitgaat. Docenten in mijn soort wetenschap kunnen zichzelf mijns inziens niet helemaal buiten over te dragen beleving houden, willen colleges althans nog hoorbaar blijven en excursies nog vrolijk. Want waarom gaat het in het universitaire onderwijs allereerst? Om de vorming en nadien om de kennis.
Ik heb mij nooit anders gedragen als zo – ook niet toen midden jaren tachtig de weg terug naar het priesterschap werd ingeslagen, al groeide onder studenten belangstelling voor geloof in nieuwsgierigheid en trad onder docenten vervreemding op in overtuiging van Verlichting.
Thuis ben ik toen geraakt bij de Benedictijnen van Vaals, wier abdij ik aan het einde van de jaren zestig had leren kennen. Daar ben ik nader opgevoed in liturgie en gebed, in eenvoud en soberheid. Jegens hen ben ik blijvende dank verschuldigd mijn roeping tot Christen en priester te hebben beschermd en begeleid. En de gesprekken daar met de priester-architect Hans van der Laan hebben mij erop voorbereid in menig katholiek opzicht de strijd mettertijd te moeten aangaan.
***
Hardnekkig is het misverstand, als zouden geloof en wetenschap tot twee onderscheiden en vooral te scheiden hersenkwabben behoren. De ene kwab bedient het ene terrein, de andere het andere. Zo is het stellig niet in cultuurwetenschappen. Met mijn verstand kan ik niet bij dit misverstand, als zouden geloof en rede onverenigbaar zijn. De rede veeleer is in staat het geloof te stuwen door wetenschappelijk onderzoek naar de Waarheid Die Christus is. Geloof gaat nooit tegen rede en dus redelijkheid in. Geloof kan daaraan voorbij gaan en de rede op haar plaats houden dan wel brengen. Maar zulks is een andere kwestie.
Hoe met dit gegeven openbaar, aan universiteit en elders, om te gaan? Gewoon in fierheid – zo mogelijk met invoeling van hedendaags heidense cultuur waarin alles relatief is en alleen relativiteit absoluut. Ofschoon de binnenzijde van mijn ziel wellicht het gemakkelijkst zich vindt in geschriften van de apostel Joannes, ontvangt de buitenzijde daarvan waarschijnlijk vooral scholing in die van de apostel Paulus (cf. Hnd 17,16-34): De Areopaag van toen is de katheder van nu – waar die ook staat. Ook toen in Athene werd Paulus getroffen door de vele afgodsbeelden. Ook toen hield menigeen hem als verkondiger voor kletser. Ook toen verdreven stadgenoten – zoals schermgenoten nu – de tijd het liefst met vertellen en aanhoren van laatste nieuwtjes. En daarom kreeg ook toen en daar Paulus het woord. Ook toen immers hielden mensen rekening met het bestaan van de onbekende God. Die in de loop van de tijd weer onbekend geworden God pogen wij nu in navolging van Paulus te verkondigen – in bescheidenheid, rekening houdend met de wijsheid van de wereld.
Zo spreek ik heden dus even vrij als onbevangen als overtuigd. Wat in kinderenjaren mij is overkomen, heeft evengoed gestalte gekregen. Dit is de door mij te gane weg waarin het leven moet worden voltooid. Toen reeds was de Heer sterk. Nu sedert lang prijs ik mij gelukkig dat Hij mij te sterk is gebleken.
Cees Dekker (redactie), Geleerd & Gelovig. 22 wetenschappers over hun leven, werk en God (Kampen 2008) 304-314.