Antoine Bodar

Leven is louter dienen.

header-05.jpg
 

De jaren zestig en daarna

30 maart 2018 |  Antoine Bodar |  Trouw

Antoine Bodar

DE JAREN ZESTIG EN DAARNA

Lezing in ‘De Nacht van de Filosofie’
Amsterdam 30 III 2018 (Goede Vrijdag)
Rotterdam 31 III 2018 (Paaszaterdag)
(ingekort verschenen in Trouw 31 III 2018)

I
Vijftig jaar geleden, in 1968, vond de studentenrevolte in Parijs plaats met bezetting en vernieling, een jaar later gevolgd door die van Amsterdam met bezetting en vernieling. Al voordat de verbeelding aan de macht meende te zijn gekomen, woedde na vierhonderd jaar weer een beeldenstorm in deze streken — na die 1566 die van 1966, toen door gespuis in protestante kringen, nu door gespuis in katholieke.
‘Niente come prima’ (Niets zoals vroeger) luidde het gezegde onder Italiaanse studenten. In West-Duitsland golden universiteiten als enige plaats waar kritisch gedacht werd — door de opstandelingen dan. Amsterdam bleef jaren in de greep van de rode studentenleiders, zoals ook Nijmegen en Tilburg, waar het katholieke geloof werd ingeruild tegen een hartstochtelijk beleden dialectisch-materialisme en de Katechismus tegen het Rode Boekje van Mao Tse-Tung. En ook al behoorde het tot de mode aan de hoofdstedelijke universiteit onder historici Marx en Engels en vooral Vladimir Lenin te bestuderen, telkens moesten leslocalen en collegezalen worden bezet om het ene of het andere af te dwingen. Waartoe, dat wist volgens mij niemand echt. Het one-man one vote- systeem was wurgend en deed de Alma Mater weldra veranderen in een vorm van zeer uitgebreid lager onderwijs, waar studenten evenveel inzicht bezaten dan docenten en eigenlijk — naar eigen inzicht — meer, terwijl de rode vlaggen wapperden, de stencilmachines draaiden maar de geest evengoed bleef geweken. De opstandelingen van toen geraakten meestal zelf op het kussen van de universitaire zetels en hadden nog jaren nodig vooraleer weer wat normaal te worden en minder over het eigen paard getild. Tot de dag van vandaag is daar het universitas-denken niet meer geheel hersteld, al begonnen mettertijd allereerst studenten genoeg te krijgen van het gejij en gejou en bij docenten erop aan te dringen leiding te nemen en van hun kundigheid te getuigen.
Onderwijl vond het historische benul in algemene zin — dank zij het a-historisch denken van de late jaren zestig en het begin van de jaren zeventig — een tekenende achteruitgang — zodanig zelfs dat bij de keuze van de grootste Nederlander ‘aller tijden’ in 2004 niet Erasmus of Spinoza of Sweelinck of Vermeer of Rembrandt of Van Gogh te voorschijn traden, maar Pim Fortuyn, de onfortuinlijke politicus uit jong verscheiden tijd, als eerste en Willem van Oranje als tweede, de ‘vader des vaderlands’ geheten — althans voor protestanten die aan dit vaderschap de trits God, Nederland en Oranje hebben ontleend.

Tot de invasie van de Angelsaksiche popmuziek op het continent vanaf het midden van de jaren zestig, toen het in Nederland gebruik was — dank zij schooltypen als HBS en MMS (het Gymnasium daar gelaten) — gewoon ook de talen van de omringende landen te leren, was Frankrijk de toon bepalend in het openbare leven. Parijs met de van Gauloises en Gitanes altijd in walmen rook gehulde localen van Saint-Germain-des-Prés waar de existentiele leegheid en nietsheid en absurditeit onder leiding van Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir als levenshouding werden gevierd. Terwijl Charles de Gaulle nauwgezet met autoriteit en allure het Elycée-paleis beheerste, maakte op de andere oever van de Seine het vrije leven de dienst uit door de omgang met elkaar in de vrije liefde en het diep doorleefde eigen ik — verleidelijk vertolkt in het Franse chanson en de films van de Nouvelle Vague. Namen van chansonniers als Juliette Gréco, Gilbert Bécaud, Georges Brassens, Barbara en Jacques Brel en acteurs als Anna Karina, Jeanne Moreau, Jan-Louis Trintignant en Alain Delon waren toen even algemeen bekend als nadien die van popsterren en sporthelden. En meer nog wellicht golden de namen van de regisseurs.
Vermoedelijk is de filmkunst uit dat tijdperk met het daar vertolkte levensgevoel van een niet te onderschatten invloed geweest op de acht-en-zestigers. Films waren toen nog niet alom noodzakelijk gericht op het grote kapitaal met het massapubliek. De Europese cinema ging van artistieke hoogte naar nog artistieker hoogte — niet alleen in Frankrijk met Jean-Luc Godard, Francois Truffaut, Agnes Vàrda en Louis Malle, maar ook — afgezien van de regisseur van de kunstzinnige somberheid in Zweden Ingmar Bergman en de rebelse Luis Bunuel in Spanje — in Italië met groten als Luchino Visconti, Michelangelo Antonioni, Federico Fellini en Pier Paolo Pasolini.

Pasolini’s film uit 1964 ‘Il Vangelo secondo Matteo’ breng ik hier in de Nacht van de Filosofie met opzet nader onder uw aandacht. Het is de film over het leven van Jesus Christus die tot heden nooit meer is verbeterd noch wat tekst-keuze en soberheid van vormgeving betreft noch wat boodschap, intensiteit en bezieling aangaat.
Nederland is heden nagenoeg van God los, zoals wij hier gezamenlijk waarschijnlijk met genoegen wel weten. Zulks blijkt juist in deze Nacht van de Filosofie 2018. Waarom? In welk ook christelijk gemunt land wordt een manifestatie gehouden — en dan ook nog een samen zijn van wijsgeren, zoekers naar wijsheid — uitgerekend in de nacht van Goede Vrijdag op Paaszaterdag in Amsterdam en in de Paasnacht in Rotterdam, de nacht van Pasen zelf waarin Christus uit de dood is opgewekt, het hoogste hoogfeest van de christenheid.

II
Toen geraakten allerlei gillende meisjes te water nabij het Doelen Hotel aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal. Het is 5 juni 1964. Vier langharige jongelieden uit het Engelse Liverpool logeerden daar. De Beatles deden ons vaderland aan en maakten veel versterkte gitaarmuziek met liedjes in het Engels, maar waarom je voor zo’n stel knullen in het vieze grachtenwater springt, blijft mij tot de dag van heden raadselachtig. Na de Beatles volgden de Rolling Stones, de Small Faces en al die andere muziek makende groepen voor klaarblijkelijk hardhorenden. Waarom anders daarbij zo’n oren pijnigend lawaai gemaakt?
Een jaar later, in de zomer van 1965, maakten de Provo’s (provoceerders) hun dansjes rond het beeldje van het door een sigarettenkoning — dat wel — aan de hoofdstad geschonken zo genoemde Lieverdje op het Spui en preekten daar hun geweldloze anarchisme met het denken van Michail Bakunin in het achterhoofd. Zij vingen aan met het witte-fietsenplan en het voorstel tot tuintjes op automobielen en het pleidooi aan het milieu te denken. Het even zachtmoedige als idealistische gezicht van die beweging van toen is nog altijd Roel van Duijn. Naamgever van de provo’s overigens was de criminoloog Wouter Buikhuisen die om zijn niet politiek passende wetenschappelijke onderzoek hevig werd verguisd en monddood gemaakt.
Het zijn de jaren van het voortschrijdende subjectivisme, de aanvang van het ik-tijdperk, van de dwingend opgelegde mening op straffe van uitstoting, van de groei van vaderlandse lompheid, toch al onze nationale trots, van de teloorgang van gebruikelijke omgangsvormen en vooral van de verengelsing en meer nog veramerikanisering van de samenleving ten nadele van de eigen Europese cultuur. De Franse cultuur geraakte stilaan op de achtergrond en de Angelsaksische te meer op de voorgrond.
Van deze hebbelijkheden is Nederland tot op heden niet willen of kunnen bijkomen.
Als gevolg van de katholieke onrust en verwarring en onzekerheid in 1965 na het Tweede Vaticaans Concilie in Nederland, veroorzaakt vooral veelal door priesters, heerste eerst creatieve chaos in de eredienst, waarna de meeste gelovigen de Kerk voor gezien hielden. Die tendens heeft zich de jaren nadien voortgezet en dit virus is ook deel geworden van vrijzinnige protestanten. De katholieke Kerk is hier inmiddels klein geworden. En in protestante kring handhaaft zich alleen werkelijk de Biblebelt.
Het moeten ook de orthodox protestanten zijn geweest die in 1964 hevig protesteerden tegen de aanwending van het Onze Vader in het televisieprogramma ‘Zo is het toevallig ook nog eens een keer’ om de aanbidding van het beeld, de televisie als de verbindende open haard van de gehele samenleving, aan de kaak te stellen. Uit diezelfde kring werd in 1966 Gerard Kornelis van het Reve Godslastering ten laste gelegd in het Ezelproces, waarin de schrijver gemeenschap heeft met de in een ezel vlees geworden God. Deze en andere uitdagingen wekten toen nog woede, om te tonen dat de verbeelding misschien toch minder aan de macht zou komen dan studenten het toen misschien al droomden.

‘Yesterday’, gezongen op de plaat in 1965 door Paul McCartney, was mij niet vreemd en ook niet de in 1967 verschenen langspeelplaat van alle Beatles ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’. Het viertal was toen al eniger mate in de ban van oosterse, transcendente meditatie, hetwelk in maart 1969 tot een opzienbarende gebeurtenis zou leiden in Amsterdam. John Lennon en zijn nieuwe liefde Yoko Ono vierden hun formeel aangegane relatie door zeven dagen in bed te liggen in het Hilton Hotel, in enen een protest tegen de oorlog in Vietnam. Toch al ‘populairder dan Jesus’ — naar Lennon’s eigen bescheidenheid — ontving het echtpaar de pers en andere belangstellenden de gehele dag aan bed.
De blik naar het oosten, die wij volgens mij samen moeten zien met de toen in zwang zijnde bloemetjes-cultuur, leidde alle half-zachtheid die een groot deel van de bevolking nog steeds eigen is — een begin van zweverigheid, later eerst aangemerkt als New Age en nu als ‘spiritualiteit’, wat zulks in dat taalgebruik ook moge beduiden.
De blik naar het oosten bracht ook nog al wat inmiddels gesjeesde katholieken in de ban van verdovende vaagheid, in de veronderstelling daar iets te vinden wat hier ook bestaat maar was toegedekt door lieden zonder geheugen. Het mysterie van het katholieke geloof immers wat bij het oude vuil geplaatst, gelijk met opruiming van beelden en verbranding van paramenten.
Het heilige in de Godsbeleving was aan het teloor gaan en daarmee de zin voor het sacrale.

Het zijn de jaren van de Koude Oorlog met het schoen-incident van Chroetsjov in de vergadering van de Verenigde Naties in oktober1960, de bouw van de Berlijnse muur in augustus 1961, de Cuba-crisis in oktober 1962, de droom van Martin Luther King — ‘I have a dream’ — op 28 augustus 1963, de moord op John F. Kennedy op 23 november van dat jaar, de moord op King op 4 april 1968, gevolgd door die op Robert Kennedy op 6 juni van dat jaar.
Onderwijl zeurde de Vietnam-oorlog door en bracht velen uit protest jegens de Verenigde Staten de straat op met de leuze ‘Johnson moordenaar’, aangevoerd in Amerika door de protestliederen van Bob Dylan en hier te lande door Boudewijn de Groot.

III
Herinneringen aan de jaren zestig die in mij zijn opgekomen en die uiteraard alles zeggen over persoonlijke waarneming, persoonlijk perspectief en persoonlijke omstandigheden.
En wat heeft die periode ons nu te zeggen — wederom in eigen beleving?
Waren de jaren zestig achteraf zo uitzonderlijk als bij voorkeur door ‘babyboomers’ als beeld gehandhaafd? Gewelddadig en angstig waren ze. Excentriek her en der stellig. Maar heeft het denken daaraan nu werkelijk zo’n nostalgische ondertoon, zoals de schrijver van het lijvige boek ‘De jaren zestig’, Geert Buelens, van mening is? Elke nostalgie naar die periode is mij vreemd, al verlang ik soms wel terug naar een vroeger Nederland, toen met name de Randstad cultureel meer Europees was en minder gericht op Noord-Amerika.
Het zou kunnen zijn dat 1968 niet het begin maar juist het einde van een hervormingsperiode beduidt, zoals de Duitse socioloog Wolgang Esbach, zelf acht-en-zestiger, ten aanzien van West-Duitsland veronderstelt (cf. FAZ 7 III 2018). En indien de verbeelding in die tijd aan de dag zou zijn getreden — of was het veeleer een zich slechts verbeelden daarvan? — is die dan op den duur vruchtbaar gebleken?
Gevleugeld in dit kader is inmiddels de uitspraak van de politicus Ruud Lubbers jegens de politicus Joop den Uyl geworden: ‘Het was een leuke tijd, maar laten we nu maar weer gewoon doen.’ (Cf. Abel-Herzberg-Lezing 2006, aangehaald door Jan Tromp in de Volkskrant 14 II 2018.)

Wat hebben die jaren ons hier in Nederland nog meer opgeleverd (voor zover boven al niet vastgesteld) — nu te gedenken vijftig jaar na de aanvang van de studentenopstanden in 1968 en nadien? En hoe is het nu met ons gesteld?
De vrouwenemancipatie schrijdt voort, al is de feministische beweging ‘Dolle Mina’ klaarblijkelijk niet meer zo nodig. De NVSH(aa) is ontaard in de nationale missie over des werelds wateren van de abortusboot. De homobeweging is vergaand doorgeslagen in het recht op normaliteit en de gender-kwestie levert tijd verdrijvend gekeuvel in de talkshows op de late avond. De geldbuidel bevordert dergelijke decadentie en de publieke correctheid ten aanzien van dit verschijnsel is dwingend tot aan uitsluiting van de criticus, terwijl de gewone medische kosten voor normale mensen nauwelijks nog door de gezamenlijkheid kunnen worden opgebracht.
De ongebreidelde vrijheid in sexualiteit is tevens weliswaar nu verlaten, maar de mens van heden is klaarblijkelijk evengoed niet meer in staat zich duurzaam te binden. En dat wil hij meesttijds ook niet — niet in een persoonlijke relatie, niet met een kerkgenootschap, niet met een politieke partij, niet met een gezelligheidsvereniging, met niets. Het zich engageren met iemand of iets lijkt überhaupt slechts nog tijdelijk te gebeuren. De verzuiling is tot nadere verbroedering van alle bevolkingsgroepen weliswaar verdwenen maar de maatschappij als geheel is volledig gefragmenteerd, waarop natuurlijk ook allerlei volksverhuizingen, later in de tijd, van invloed zijn. We zijn welvarender geworden en meer van gemakken voorzien als toen. Maar terwijl de grenzen binnen Europa zijn geopend, lijkt mij het vaderland niet internationaler geworden maar meer nationaal en meer provinciaal.
De bevolking is vergrijsd en de eenzaamheid gegroeid. Het aantal zelfdodingen, vooral onder jongeren, stijgt en we willen op bestelling dood.
In het openbaar vervoer zitten we samen met elk zijn eigen wereldje van i-phone, i-pad en selfy. Het bestaan is zo zinloos dat we het daarover niet meer behoeven te hebben, al genieten we van de nationale verbinding van de sport, maar meer dan ook niet. Het is moeilijk te aanvaarden dat de samenleving niet geheel maakbaar is en evenmin ons eigen leven.
Die lentes van de jaren zestig hebben geen zomer gebracht; ze zijn evenzeer verdwenen als de gemeenschappelijke vijand van toen.
Zijn we even verwend geworden als minder volwassen?
Wanneer keert de wal van bezonnenheid het schip van vermoeid makende verveling en vermaak?