Antoine Bodar

Leven is louter dienen.

header-05.jpg
 

Brief aan Darwin

24 april 2009 |  Antoine Bodar |  Volkskrant

Geachte heer Darwin, het komt mij voor dat alle aandacht voor uw persoon in dit zo genoemde Darwin-jaar u enigszins overdreven toeschijnt. Alle respect voor uw ontdekkingen in de natuurwetenschappen maar u als ietwat schuwe man van het land moet alle aandacht niets steeds aangenaam zijn. Zo meen ik en ik voeg daaraan toe dat met name in mijn vaderland – aan de andere zijde van de Noordzee waar u in het ondermaanse hebt verkeerd – veel te veel gezeurd wordt over evolutie. Ik gun u zo weinig mogelijk nog met het gebeuren op aarde te maken te hebben. Alleen al de lompheid onder mensen is sedert uw verscheiden allersnelst voortgeschreden – reden om permanent in den vreemde te verblijven dan wel in de dood zoals u. Meer bepaald jegens u bedoel ik de ideologisering van de evolutietheorie. Niet wetenschap voert in dat gesteggel de boventoon maar het gemelk omtrent gelijk krijgen, alsof gelijk hebben in menselijke wijsheid en in zoeken naar waarheid al niet voldoende zou zijn.
Laat mij u een tweetal kwesties voorleggen waartoe het naar u genoemde jaar en met name de Volkskrant mij uitnodigt. U moet maar zien of u het de moeite waard acht daarover uw gedachten te laten gaan dan wel mij eens een antwoord te sturen.
Hoe verhoudt zich schepping tot evolutie? Hoe verhoudt zich geloof tot wetenschap?
Beide zaken aan de orde gesteld vanuit mijn perspectief – dat van een katholiek gelovige christen die wat rondleest in wetenschappen van kunsten en letteren, van filosofie en theologie.
Staat schepping tegenover evolutie, zoals beterweters willen doen geloven? Geenszins. God heeft in de schepping de evolutie gegeven. Uit liefde heeft de Schepper alles geschapen. Daarom is de schepping van oorsprong goed. Door de zondeval is de schepping aangetast. Haar herstel is evenwel aangevangen in Jezus Christus, de Zoon Gods Die mens is geworden – schepsel dus om daardoor de schepselen te vergoddelijken. In Christus herstelt zich de schepping.
Moet het scheppingsverhaal in het boek Genesis door christenen niet letterlijk worden genomen? Neen. Laten we God danken voor dat even dichterlijke als beeldende verhaal en ons ervan vergewissen dat de Schepper geen rekenmeester is van zes etmalen om Zijn schepping te voltooien. Doodt niet de letter en maakt niet eerst de Geest levend? Elk gedeelte van de Bijbel, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, moet in samenhang van het geheel worden gelezen. In de Schrift wijzen de onderdelen naar elkaar en reikt voor christenen Christus Zelf de sleutel tot begrip.
Zoals zich organische groei voordoet in de Bijbel – het woord Gods ontvouwt zich stilaan (reden te meer vanuit het Nieuwe Testament het Oude te lezen met de ogen van Jezus de Christus) – zo is ook de schepping organisch gegroeid tot waar zij nu is.
Is die ontwikkeling nu geleidelijk, zoals u meen ik veronderstelde, of gebeuren veranderingen willekeurig, zoals tegenwoordig menig geleerde veronderstelt? Daaromtrent kan ik niet oordelen. Staat u mij toe de klemmende kwestie te vereenvoudigen en de vraag te opperen of de mens niet gewoon van de aap afstamt. Dat hangt ervan af wat wordt verstaan onder afstamming. Want ook al probeert de evolutietheorie biologische ontwikkelingen te analyseren en te beschrijven, dat verklaart nog niet de menselijke persoon. Het eigene van de mens – ik kies daarvoor het begrip ‘ziel’ – laat zich niet uit louter materiële ontwikkeling afleiden. Materie brengt geen geest voort, al heeft uw tijdgenoot Marx met anderen daaraan wel geloof gehecht. Met Gods schenking van de ziel ontstaat de mens. Hij kan beamen en afwijzen. Hij kan ‘Gij’ zeggen tot God en markeert zo eens te meer zijn mens zijn. Hij weet de andere mens tegenover zich en – zo het hem gegeven is – de volledig Andere, de Schepper.
Aan het begin van de evolutie staat God de Schepper. Hij stuurt in de evolutie Zijn schepping. Hij schept elke mens naar Zijn beeld en gelijkenis. De mens kan van alles toevallen maar toeval bestaat niet. Moet in het kader van de evolutietheorie niet voorbij de natuurwetenschap worden gevraagd om ook – in filosofie en zelfs theologie – de zin van de evolutie op het spoor te komen?
Tegenwoordig staat tegenover deze theïstische evolutieleer niet zozeer de agnostische maar veeleer de atheïstische. Zoals geen evolutietheorie kan bewijzen dat God wel bestaat, zo kan zo’n theorie evenmin bewijzen dat God niet bestaat. Wordt niet het evolutiedebat momenteel meer ideologisch dan wetenschappelijk gevoerd? U zoudt mij werkelijk aan u verplichten, indien u daarop uw visie zou wille geven. U immers hebt voldoende afstand in de tijd.
Vruchtbaarder voor het denken dan schepping tegenover evolutie te plaatsen komt het mij voor beide als complementair te beschouwen en zo dus eniger mate als eenheid. Op vergelijkbare wijze staat ook geloof niet tegenover wetenschap maar zijn ook zij complementair. Wetenschap is vriend, geen vijand van godsdienst. De evolutietheorie mag dan uitleggen hoe wij hier op aarde leven, maar daarmee is de vraag waarom wij hier leven nog niet beantwoord. De breuk van heden tussen geloof en wetenschap zou moeten worden geheel. Want de tegenstelling is vals. De dialoog tussen beide duidingen van het mysterie van de mens en van het gehele universum zou tot verrijking van beide gevoerd moeten worden.
Wetenschap helpt geloof en geloof stut wetenschap. Voordat nu terstond Homerisch gelach uitbreekt – niet bij u, heer Darwin, maar bij de sceptische lezers van dit ochtendblad die de brief aan u meelezen – noem ik de hoogst overeenkomende geestesgesteldheid die binnenleidt in zowel geloof als wetenschap. Ik bedoel de intuitie. De een overkomt het dat God wel moet bestaan en in Jezus Christus mens is geworden. In taal van de godsdienst heet dat de gave of genade van geloof. De ander valt in dat een door hem te onderzoeken deel van de werkelijklheid zus of zo in elkaar moet steken. In taal van de wetenschap heeft dat van doen met de hermeneutische methode of cirkel. Met andere woorden: Eigen innerlijke gewaarwording of ervaring voedt reeds vermoeden of gevoelen, is reeds ‘intentioneel’ dan wel ‘in relatie’ alvorens geloof te belijden of wetenschap te bedrijven.
Herinnert u zich de oude zegwijze, ontleend aan Anselmus die zeven eeuwen voor u zoals u op het Britse eiland leefde? ‘Geloof zoekt rede’, schrijft hij. Geloof zoekt langs de weg van de theologie verbinding met de filosofie om zo de rede raad te vragen in de ontsluiering voor zover mogelijk van het geloofsmysterie. Ook gelovigen hebben hun intuitie, hun gewaarwording, hun ervaring, hun rede niet zo maar gekregen. Het verstand, als geschenk ons toegevallen door God, moet worden aangewend om tot de waarheid van het geloof verder door te dringen. Over dat thema heeft Joannes Paulus II, paus in de eeuw na u, een encycliek, een leerstellige rondschrijfbrief dus, in het licht gegeven – Fides et Ratio (Geloof en Rede) geheten. Wellicht hebt u daarvan kennis genomen. In uw eeuw waren geleerden immers nog minder eenkennig dan nu en minder opgesloten in hun eigen zo isolerende specialiteit. Welnu, die paus roept filosofen op eindelijk weer eens hun gehele vak ernstig te nemen en zo zich niet alleen te beperken tot logica en wetenschapstheorie maar ook weer te zoeken naar wijsheid en waarheid. Welke wijsgeer zoekt geen waarheid? Welke wijsgeer kan blijven steken in de huidige angst niets absoluuts meer te durven te zeggen en dus alles te moeten relativeren – behoudens dan het relativisme zelf en in Nederland het eigen gelijk?
Heer Darwin, op een en ander zou nog door te gaan zijn – zoals bij voorbeeld op de verduistering van ons verstand als gevolg van de zondigheid – maar voor nu wil ik uw welwillendheid , uw aandacht en uw geduld niet langer beproeven. Ik dank u voor het lenen van uw oog en groet u uit Rome, nu reeds hetend de Eeuwige Stad – uitziend naar de eeuwigheid en mogelijk u daar eens de hand drukkend uit dank voor hetgeen u voor de wetenschap hebt kunnen doen.