Ontwereldlijken voorkomt Ontmenselijken

Rome en Reformatie |
|
29 maart 2008 | Antoine Bodar
|
Nederlands Dagblad
|
|
George Puchinger heb ik één keer ontmoet. Dat was tegen Kerst 1995 in het Bijbels Museum, toen mij was aangezegd de kerk waar ik celebreerde en preekte (De Krijtberg in Amsterdam) te verlaten. ‘Afgunst’, vatte Puchinger kort samen om meteen te vragen of ik zijn interviewboeken kende. ‘Een paar heb ik in mijn kast’, reageerde ik. ‘Laat mij dan weten welke; de rest stuur ik u.’ Daarvan is het toen niet gekomen en nu is Puchinger al negen jaar dood. Na lezing blijkt dat misverstanden van toen aan hardnekkigheid weinig hebben verloren. De interviews met in die dagen vooral vooraanstaande theologen dwingen ons ook nu over en weer tot bescheidenheid. Rome en Reformatie blijken nog steeds klaarblijkelijk te verdedigen vestingen – in weerwil van oekumene van hart of spiritualiteit, in weerwil van welwillend gezamenlijk zoeken naar de ene waarheid die Christus alleen is. Terwijl protestanten als die van Nederlands Dagblad en Reformatorisch Dagblad toch altijd het gelijk aan hun zijde weten, blijven katholieken als ik ervan overtuigd dat de ene Kerk ten spoedigste gevonden moet worden en dat van dat zoeken naar eenheid het best Rome uitgangspunt blijft. Met het gelijk van de Protestantse Kerk Nederland ligt de zaak eniger mate anders. De PKN lijkt genoegen te nemen met de eenheid van organisatie, maar daarom is het mij slechts in uiterst afgeleide zin te doen. Hoe heidenen en anders gelovigen te overtuigen, wanneer wij Christenen zelf onderling verdeeld blijven en allerlei lieden onder ons telkens weer het gelijk aan eigen zijde blijven weten? Puchinger’s boek ontstaat en verschijnt ten tijde van de de laatste fase van het Tweede Vaticaans Concilie. De Kerkvergadering komt telkens ter sprake en ademt daarvan sfeer en verwachting. Mede als gevolg van wederzijds betere voorlichting vordert de oekumene, zo in het openingsgesprek Bernardus kardinaal Alfrink, maar één van de grootste risico’s van de oekumenische activiteit is zijns inziens het gevaar voor relativering. Terwijl gereformeerden en katholieken elkaar begrijpen in hun houding jegens de Bijbel, verstaat men in niet-gereformeerde kringen van de Reformatie onder oekumene ‘soms meer een federatief samengaan, en vergeet men mogelijk wel eens dat het toch werkelijk moet gaan om een échte eenheid inzake het geloof’. Puchinger’s boek is interessant gedateerd waar het opsluiting in eigen zuil aangaat. Want hij vraagt protestante geinterviewden of zij ook katholieken kennen en omgekeerd. De muren van de zuilen blijken nog zo hoog dat protestanten amper katholieken kennen en katholieken amper protestanten. Terugkerende onderwerpen zijn vooral oekumene en ekklesiologie, verder Maria, liturgie, spiritualiteit en antipapisme. Hieromtrent merkt P.J. Roscam Abbing op ‘dat er geen woord tegenover de term antipapisme bestaat, hoogstens de term contra-reformatie, maar dat is toch een veel zakelijker aanduiding’. Niettemin is Rome zijns inziens ‘Babel’ – ‘een al te menselijke eenheidsorganisatie’, maar Reformatie dan toch ‘de spraakverwarring’ – ‘treurig, al die kerkjes’. Wat staat in 1965 toenadering tussen Rome en Reformatie het meest in de weg? De ekklesiologie – het kerkbegrip. Daarin is Karl Barth het eens met Hans Küng. ‘De Kerk kan bij “Rome” als het ware geen moment “tegenover” Christus gesteld worden.’ Daarbij voegt zich dat protestanten zich zelf ervaren als preekkerk en katholieken begrijpen als sacramentskerk. Voor hen staat in de Romana de Eucharistie te zeer in het middelpunt. Daarmee verbonden dan het ambt. ‘Zij [katholieken] hebben zo’n uitgesproken leer over de Kerk, waar wij [gereformeerden] absoluut afwijzend tegenover staan, absoluter dan wie ook. Hun ekklesiologie is voor de gereformeerde mens onaanvaardbaar. Hoe gereformeerder, hoe onaanvaardbaarder.’ Aan het woord is H.N. Ridderbos, ‘een potig man’ in de beleving van Puchinger. ‘Het gereformeerde kerkbegrip verdraagt zich niet met Rome, ondanks alle geestelijke verwantschap.’ F. Haarsma vanuit de katholieke theologie vraagt zich af: ‘Is de Kerk werkelijk middel en gestalte, waadoor het Heil tot ons komt (Rome) of primair een bijeenkomen van mensen die het Evangelie geloven (Reformatie)?‘Zijn de ambtsdragers van Christus en de Heilige Geest werkelijk gevolmachtigd het Heil door te geven (Rome) óf staan ze zelf eigenlijk buiten die volmacht (Reformatie)?’ ‘Schakelt God de mens werkelijk in in het Heilsproces (Rome) óf gaat het buiten de mens om (Reformatie)?’ Na zo veel jaren lijkt in dit opzicht weinig vordering in toenadering gemaakt. Op het concilie met de wijd open ramen wordt de Kerk zelf aangeduid als sacrament (cf. LG 1) – Christus is oersacrament en de Kerk grondsacrament waaruit om zo te zeggen de zeven sacramenten voortvloeien met als voornaamste Doop en Eucharistie. De Kerk komt voort uit de Eucharistie, zo Joannes Paulus II in de encycliek Ecclesia de Eucharistia van 2003 – tevens beknopte samenvatting van Romeinse ekklesiologie. Anderzijds kan Rome in het geheel niet worden afgedaan als sacramentskerk zonder meer. Zij is geenszins minder preekkerk. De eerste taak van de priester immers is de verkondiging van Gods Woord (cf. PO 4). De door Haarsma genoemde tegenstelling tussen Rome en Reformatie is volgens mij scherp getekend uit het protestante ofof- denken in plaats van uit het katholieke en-en-denken. Het geschrift Dominus Iesus, ondertekend in 2000 door Joseph Ratzinger, is in de zomer van 2006 nog eens bevestigd. Daarin vraagt Rome Reformatie uitdrukkelijk na te denken over het katholieke kerkbegrip. Zo veel blijft zeker – om misverstand te vermijden en troost te bevorderen: Christus kan nooit samenvallen met de Kerk zoals een bruidegom nooit dezelfde kan zijn als zijn bruid. Daarenboven verstaat ook de Romana zich geenszins als staand voor maar als verwijzend naar het Rijk Gods en dat slechts in aanvang verwezenlijkend en als bruid – niet als ‘eenheidsorganisatie’ – in trouw aan haar bruidegom Christus. Zowel onder katholieken als onder protestanten blijft de oekumene van het hart als roeping de ene Kerk te verwezenlijken. Dat is ons aller taak. Dat evenwel kan alleen met de genade Gods, uit Zijn genade als gave. Zelf zijn wij Christenen te zeer gebroken en wij dragen onze geloofsschatten niet minder maar meer in al te broze potten (cf. 2 Kor 4,7;12,9). Sola gratia. Het past dus te bidden samen met Christus in Zijn hogepriesterlijke gebed (cf. Jo 17,21): ‘Mogen zij – wij dus – allen één zijn, opdat ook de wereld eindelijk kan geloven dat wij in onderlinge eenheid Christus toebehoren.’ Aanleiding mij Puchinger’s boek uit 1965 te schenken was het daarin opgenomen interview met Joseph Ratzinger, hier in de Anima te Rome afgenomen ‘op een snikhete zondagmiddag’: ‘Ratzinger was tijdens dit gesprek als altijd: rustig luisterend naar vragen die hem gesteld werden, vervolgens even nadenkend, daarna rustig sprekend en zijn antwoord zo helder formulerend en uitsprekend, alsof hij aan een zetter een pagina van een reeds geschreven boek dicteerde.’ Michel van der Plas blijkt de ‘progressieve theologen op het jongste concilie te hebben getypeerd. Hij raadt aan Karl Rahner of Hans Küng te kiezen maar Puchinger was toch meer geboeid door Van der Plas’ typering van de huidige paus: ‘Ratzinger een stil water met misschien de diepste grond van allen.’ Puchinger rekent Rahner reeds tot de vorige generatie en vergelijkt de beide anderen zo: ‘Terwijl Küng een aangeboren vrijmoedigheid bezit, wordt Ratzinger vóór alles gekenmerkt door een bescheidenheid die niet bedriegt. Zou de strijdbare Küng volgens velen met Savonarola, de aardse hemelbestormer, te vergelijken zijn, Ratzinger doet mij altijd denken aan de stille, teruggetrokken miniaturenrijkdom van Frater Angelicus.’ |